Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze mededeeling werd echter niet achtereenvolgens, maar bij tusschenpoozen met afgebroken woorden moeielijk uitgestameld.

„Gij hebt dus zeer liefelijke droomen die u troosten", zeide ik.

Met een uitdrukking van verzet antwoordde zij: „Och neen, geen droom, zij is werkelijk daar, dag en nacht, o, zij is zulk een heerlijke engel! als gij dat eens zien kondet! zooals ze daar bij mij staat in dat hemelsche licht".

Weinig, zeer weinig kon mijne vriendin spreken, want de mond was door de medicijnen sterk aangedaan; toch waren er enkele oogenblikken dat zij duidelijk sprak. Maandagnacht verwachtten wij het einde, maar Dinsdag lichtte aan overeen steeds klimmende ellende. Dinsdagnacht zou het stellig afloopen, maar nog altijd steeg dc fol tering. Woensdagavond kwam er een verandering; de kranke was rustiger, de smartelijke tonen werden al zachter. Zou de rust nu komen? De dokter voorspelde de ontknooping, en de oude heer kon zijn verlangen niet weerstaan om zijn geliefde dochter nog eenmaal te gaan zien. Twee van zijne zonen ondersteunden hem en zoo kwam hij den trap nog eenmaal op. Zij kende hem en sprak met al de teederheid der liefde nog eenige vriendelijke woorden tot hem.

„God weet, hoe vurig ik gewenscht had u tot uw laatste uur te mogen verzorgen, maar God roept mij en ik moet gaan. Anderen zullen u de oogen sluiten, dat had ik nooit gedacht. .

„O, kindlief", riep de ontroerde grijsaard, „dat mij dat moet overkomen, dat ik u moet missen! Het is mij nog zwaarder dan het verlies van uwe lieve moeder, die oud en zwak was. Hoe zal ik dezen slag dragen. Ik overleef het niet lang."

„Vertrouw op God, vaderlief, kus mij goeden nacht."

Sluiten