Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

knield voor haar bed onze vereenigde ontboezeming opzond met diep bewogen gemoed. „Amen", zeide zij, mij omhelzende, „dat is ons afscheid aan deze zijde, tot ook gij overkomt om niet meer van mij te scheiden". —

„Maar er is nog iets", hernam ik, „herinnert gij u aan onze afspraak, dat ik zou trachten u te verschijnen, als ik eerst heenging, en nu de beurt aan u is gekomen, blijft gij nu bij die belofte? Gij zult nu weldra weten wat er is van het leven na den dood, waarover wij zoo vaak gesproken hebben. Openbaar u aan mij en geef mij te kennen wat gij kunt en moogt." — „Ik zal tot u komen als ik kan en als ik mag, dat beloof ik u en daar geef ik u de hand op."

Nu verlangde zij nog twee dochtertjes van haar oudsten broeder te zien en te omhelzen. Toen de lieve jonge meisjes vertrokken waren, zeide zij tot mij: „Is het niet vreemd, ik zag het geheele leven van die kinderen eensklaps voor mij. A. rolt, om zoo te zeggen, door het leven, zij leeft gemakkelijk en zal voorspoedig zijn, maar J. zal veel moeilijkheden hebben. God alleen weet wat voor elk mensch het beste is."

Tot onze groote smart keerden de pijnen allengs weder en dat wel met te grooter woede nu de lijderes geen verdoovende middelen meer kon inslikken. De folteringen duurden nog tot den avond 9 uur, toen hief zij de met het kille doodzweet bedekte hand nog eenmaal op met de woorden: „Het is geleden! —Vaarwel Elise, tot wederziens."

Het stoffelijk overschot van den ouden heer kon bij het koude weder blijven staan om met zijn dochter tegelijk in hetzelfde graf gelegd te worden en menigeen zal die aandoenlijke begrafenis van vader en dochter nog heugen.

Een diepe neerslachtigheid had zich door dit onverwacht verlies van eene vriendin, met welke ik zoo sterk sympathiseerde, van mij meester gemaakt. De lente kwam, maar ik

Sluiten