Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oogen, terwijl zij de armen naar mij uitstrekte en langzaam binnentrad. Ik was zoo verbaasd, dat ik haar niet aanstonds durfde naderen. Ik zag dat zij gekleed was in dezelfde kleeding, waarin ik haar het laatst gezien had en herkende de kleinste bijzonderheden, als: knoopen en ornamenten van haar toilet. „Hoe is het mogelijk, gij hier!" riep ik uit, „waar komt gij vandaan, lieveling? Het is immers zinsbedrog". — „Ik ben het zelf", was haar vriendelijk antwoord. „Ik ben het werkelijk zelf." — „Ja, ik zie het wel, maar gij waart toch ziek en zijt gij dan niet gestorven ?" — „Ja", knikte zij, „maar gij ziet toch dat ik nu volkomen gezond ben". — „Waar zijt gij zoo lang geweest?" riep ik, geheel verbijsterd als de discipelen, toen zij Mozes en Elia zagen. Zij vatte mij bij de hand, zoo natuurlijk als zij zoo vaak in vroeger dagen gedaan had en bracht mij naar de canapé, en daar nedergezeten vlijde ik mij eerst aan hare voeten neer om haar te beter te kunnen aanzien. Daarna hief zij mij op om naast haar te gaan zitten en legde zij het hoofdje met de blonde krullen op mijn schouder en wij spraken en weenden te zamen. Ik voelde hare warme tranen op mijne hand vallen; het waren zalige tranen van stillen weemoed en innige dankzegging. „O, ik dank u duizendmaal", riep ik uit, „dat gij uwe belofte vervuld hebt; zoo had ik het mij nooit kunnen voorstellen, dat ik u zoo lichamelijk nog eens weder in mijn huis zou zien". Op mijne ongeregelde vragen: „Waar woont ge nu toch? Blijft ge lang bij mij?" antwoordde zij slechts door den innigen druk van hare warme hand en een vriendelijk glimlachje, en terwijl ik nog eens mijne armen om haar hals sloeg om mij te vergewissen van hare nabijheid, riep ik uit: „Zal het wederzien in den hemel gelukkiger kunnen maken dan ik nu reeds ben?" Toen versmolt de gedaante, die zoo even nog zoo tastbaar was, zacht jes als een opstijgende wolk.

Sluiten