Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

indruk van het troostrijke visioen dreef voor mijn droeve ziel voorbij als eene lichte nevel voor een opkomenden storm van twijfelingen.

Ik had met mijne vriendin in der tijd „Zanoni" gelezen en de „vreemde historie" van Buwler; zij ook verlangde zoo vurig naar meer licht, naar meer gewisheid van de hoop des eeuwigen levens en des wederziens aan gene zijde des grafs, en zij wist meer dan iemand hoe ik reeds lang door twijfelingen gefolterd was. Zoo iemand in de wereld, dan moest zij, als zoo iets mogelijk was, mij redden uit mijne sombere twijfelmoedigheid en een poging doen om mijn vorschenden geest een lichtstraal te zenden, eenig steunpunt te geven — en — zij deed het niet — althans niet afdoende, niet zoo onbetwistbaar als ik het behoefde. Das bleef er niets te hopen en te gelooven; er was geen veilige brug over de onpeilbare klove, die de levenden en de dooden gescheiden houdt . . .

Twijfelzucht en criticisme waren in die dagen bij mij tot eene zielsziekte geworden en verstoorden mijn rust en levensvreugd. Hoewel ik het niemand openbaarde, steeg die kwelling al hooger en er daalde een nachtelijke sluier over mijn geest als een dikke mist, die mij steeds dieper in hare duistere plooien wikkelde.

Deze verslindende melancholie ging gepaard met een smartvolle ziekte, die mij ondermijnde; ik voelde, gedurende 1869 vooral, dat ik dag aan dag achteruit ging en de levensmoeheid was werkelijk levenszatheid geworden, die mij voor alles onverschillig maakte, zoodat ik bij den aanvang van 1870 zeer tevreden was met de ontdekking, dat het welhaast met mij gedaan zou zijn, en het verheugde mij te meer dat ik dan niet meer zou behoeven te denken. Het moede hoofd zou rusten, het moede hart zou breken — maar dan

Sluiten