Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook geen pijnen meer; het raderwerk zou nu snel afloopen en stilstaan.

Het was tegen het vallen van den avond. Ik had verzocht dat men mij alleen zou laten. Allengs kwam er een zonderlinge kalmte over mij; bij zekere verdooving van mijne uiterlijke zinnen scheen mijn innerlijke zin te ontwaken.

Eensklaps was het mij of ik beter kon denken dan mijn suizelend hoofd mij, bij radelooze hoofdpijn, in lang had toegelaten.

Met de oude kerkelijke leer had ik gansch gebroken, sedert ik tot haar troebele bronnen was doorgedrongen langs de doornige paden van de geschiedenis der dogmen en der jongste tekstkritiek. Maar de moderne theologie kon mij even weinig bevredigen in hare halfheid en gekunstelde schijnvertooning. Zij scheen mij een aangekleed geraamte zonder licht in de ledige oogkassen en zonder hart in het binnenste.Waar was zoowel de oude als de nieuwe theologie zwakker en onzekerder dan omtrent de leer der onsterfelijkheid; beiden bleven het bewijs schuldig, dat de ziel zal leven als het vleesch bezwijkt. Veel had ik vroeger van het Magnetisme gehoopt als de ontsluiering van de psyche, veel had ik van het Spiritisme verwacht als het proefondervindelijke bewijs, dat de vertrokken vrienden zich aan ons kunnen openbaren. Maar de Spiritisten, zooals ik ze te Parijs en elders had leeren kennen, vervulden mij met walging, door hunne liefhebberij om oude systemen weer op te rakelen en de wereld te begenadigen met een halfbakken Platonisme of de Pythagoreïsche reïncarnatieleer. Alweer een dogma en geen leven, een leerstelsel gebouwd op theorie, die niet te staven is door proefhoudende feiten.

Na mijne persoonlijke kennismaking met Allan Kardec in 1861, verwachtte ik van die zijde zeer weinig meer. En toch, o, indien de mystische en magnetische verschijnselen, die ik

Sluiten