Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben als voorheen: „Ik bid u, laat mij met rust, ik heb verlangd, alleen te zijn", want ik had die dame nooit bij mijn ziekbed willen ontvangen, omdat haar bijzijn op mij een zeer zonderlingen indruk maakte. Zij was sedert eenige maanden op het door mij gesticht instituut werkzaam, en door mijne toenemende ziekte had ik gelegenheid gehad haar meer speciaal te leeren kennen; de weinige keeren echter dat ik haar had les gegeven en gesproken, had ik altijd een allerwonderlijkste gewaarwording ondervonden — iets dat over mij kwam als een lichte benauwdheid, iets dat mij doorhuiverde; doch het kwam mij wel eens voor alsof ik mij daarna altijd wat meer opgewekt gevoelde. Ik gaf er mij zelf echter niet nauwkeurig rekenschap van; ik weerde het alleen af en vermeed haar opzettelijk. Later is het mij volkom en duidelij k geworden wat dit verschij nsel beteekende. Bij mijne groote zwakte en uitgeputheid trok ik als een stuk ijzer het sterke magnetische van dat gezonde gestel tot mij, en nam het zoo snel op, dat het mij bijna benevelde. Ook leerde ik daarna dergelijke gewaarwordingen onderscheiden als de aannadering van geestelijke tegenwoordigheid.

Vriendelijk en bescheiden naderde zij mij met de woorden: „Zend mij niet weg; ik weet wel dat gij alleen wilt zijn, maar het is beter dat ik wat bij u blijf om u te helpen. Ik ken uwe ziekte en ik wensch u te genezen."

„Gij mij genezen", zeide ik ongeloovig. „Zie deze uitgeputte leden — kent gij dat koude zweet, dat van mijne vingers druppelt — het is de dood. Gij weet, de dokter heeft gezegd, dat er aan mij niets meer te doen is."

„Gij zult niet sterven, gij moet leven", zeide zij met overtuiging. „Sta mij toe u te verplegen volgens mijne methode en gij zult spoedig verlichting gevoelen."

„Welnu", zeide ik, „dat plan is heel lief van u; ga uw gang; ik geef mij over, maar gij komt te laat".

Sluiten