Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij heeft zich niet ontzien, overluid te verklaren . dat hij de heeren Ds. P. van Son c. s. „de eerlijkheid en goede trouw bepaald gevaar loopen.

Hij heeft hen op de publieke markt aangeklaagd , dat zij in zake goederen aan hun beheer toevertrouwd, sluwheden hadden uitgedacht, waarvan men, zoo een burgemeester het had aangedurfd, „schande zou W™en-

Ja. letterlijk, met even dezelfde woorden, heeft hij het op blz. 14 van zijn tweede vlugschrift laten drukken, dat deze mannen „de Ac»kelijke kas wilden meenemen", om anderen „naakt te zetten aan den dijk. Weec wel het gewicht dezer woorden.

Er is in dit eigen verband, op dezelfde bladzijde, sprake van eerlijkheid en goede trouw"; van iets waar elk ander „schande van zou spreken;" en in dit verband wordt u ten laste gelegd: „een willen meenemen van de kerkelijke kas.

Let wel op wat er staat. .

Niet dat ge het beheer hebt willen overbrengen bij z. 1. onbevoegden. Ook niet dat ge de titels van eigendom voor u zeiven opeischtet. Neen, lezer, er is sprake van de kerkelijke kas. Aan de kas. D. 1. van

een kist ot kast of lade, waarin bankpapier of een effect of baar geld ligt.

Aashouder en boekhouder zijn, dat weet Ds. Hogerzeil wel, ook bij onze Kerkvoogdij twee. En van deze kas , aan de Gereformeerdeskerk toebehoorende, durft nu de heer Hogerzeil publiek beweren dat eemge personen t. w. de heeren Ds. P. van Son c. s., het plan hadden beraamd, om ze, bij eventueele schorsing, meête nemen

Dat wil dus zeggen: die kas, met dat gereede geld met te laten waar die was, maar uit de kist of lade die waarde mt te lichten,

en met dien schat weg te gaan.

En al betuigt nu Ds. Hogerzeil duizendmaal: Dat heb ik met

zoo bedoeld. Aan zulk een infamie beb ik niet gedacht. , - daarmee

ontspringt hij den dans volstrekt niet.

Immers, deze infame, lasterlijke aantijging heeft Ds. Hogerzei zich niet ontzien te bezigen in een zeer oppervlakkig geschrift voor het volk bestemd ; voor lezers, die bij ,een meenemen der kas aan niets anders denken konden; en als vrucht van zijn roekelooze woordenkeus is „Duitendief dan ook de lieflijke term, die meer dan een der geschorsten naar het hoofd is geworpen. „Je vader is een Duitendief! nep men op gezag ran Ds. Hogerzeil onzen kinderen zelfs na op school.

Ds Hogerzeil nu, die met onverstoorbare kalmte zijn woorden dest, had kunnen en moeten berekenen, dat niets meer geschikt was mi boozen hartstocht tegen zijn broederen te doen ontvlammen, dan juist zulk een prikkelen der verbeelding, alsof men met hoopen zilver en met stapels het goud uit de kerkelijke kas wilde lichten.

Hij had moeten inzien, dat hij met zulk zeggen hoogst onheilig

vuur op liet altaar ontstak . . _

Hij en niemand anders is dan ook voor dit diep beleedigen

Sluiten