Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Lütge eigener beweging nooit één enkelen stap hebben gedaan, om een dam op te werpen tegen het veldwinnend ongeloof; 2°. dat deze vier heeren zich bijna altoos met hardnekkigheid verzet hebben tegen eiken maatregel, door wien ook voorgesteld, om den bedreigden dijk te kisten; en 'ó°. dat de argumenten, waarmeê deze heeren hun verzet poogden te rechtvaardigen, op alle punten, niet eenmaal, maar tien malen, zakelijk, uitvoerig, en meest zonder toegeven hunnerzijds, zijn weêrlegd.

Of konden deze heeren, ook al -wierden ze weêrlegd, allicht aanspraak op een succès d'estime doen gelden? a)

Zijn deze vier dan mannen, die ge met een Beets. met een Van Oosterzee, met een Doedes, met een Kohlbrügge onder de gesternten van eerste grootte rekent ?

Ds. Lütge ook ? Die zoo weinig zelfs een man als Kohlbrügge verstaat, dat hij o/igereformeerd elk zelfstandiger karakter eener plaatselijke Kerk doemt, daar toch Kohlbrügge in Elberfeld in een Kerk geleeraard heeft, die geheel op zichzelve stond, van alle Kerkverband was afgescheiden, en juist door dat kleine kerkje van Elberfeld een zegen gespreid heeft tot in Bohemen ?

En komt men nu ten slotte op het „geraas," dan zij ook daarover , kort recht" gedaan.

Niet één enkel maal heeft de Voorzitter wegens „geraas" de vergaderingen moeten schorsen.

Tien van de twaalf avonden gingen voorbij, zonder één enkele interruptie zelfs.

Soms, als de heeren van de oppositie al te veel van het geduld vergden, waagde een twee- of drietal leden soms een interruptie.

En voorts op een heel jaar kwam het misschien vier- of vijfmaal voor, dat er een begin van een applaudissement te beluisteren viel, maar om onmiddellijk weg te sterven. Of ook, dat er even een gegons door de zaal ging en de ontevredenheid zich meêdeelde aan de motorische zenuwen; maar altoos zoo, dat er geen halve minuut om was, of alles was weêr ademloos stil.

Dat is al.

En na dit kort relaas tarten we elk tegenstander, om ons uit heel Europa en Amerika één vergadering van meer dan honderd leden te noemen, waar het zóó kalm, zóó statig, zóó bijna al te mak eri leuk toeging als in den Amsterdamschen Kerkeraad.

Heel het „Complot" loopt dus op minder dan niets uit.

Daar mogen de heeren van gedroomd hebben.

Maar meer dan een „sprookje", laat het dan nu niet van Moeder de Gans zijn, was het niet.

i) Dat men om huns persoons wille voor hen wijken moest.

Sluiten