Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wonder haast, dat de heusche Procureur-generaal zulke onverlaten niet crimineel vervolgd en preventief gezet heeft!

Toch maken we op zoo streng-zedelijke opvatting geen inspraak.

Het zij dan zoo.

Der broederlijke liefde worde dan de hand op den mond gelegd, en alleen de wettische Zedemeester sta tegen ons.

Mits — maar daar staan we dan ook onverzettelijk op — mits de heer Hogerzeil zelf het fundament van alle zedelijkheid niet loswrikke.

Dat fundament ligt, ieder beaamt dit, in onze zedelijke verantwoordelijkheid.

En ons grievendst bezwaar tegen zijn kastijden van de broederen met erger dan schorpioenen, ligt dan ook, nog niet in zijn onwaar standpunt; noch ook in het valsche licht, dat hij op den weg wierp; maar veel meer nog in zijn doorsnijden van de zenuw der verantwoordelijkheid op zedelijk gebied.

Want dat, en niets minder deed de heer Hogerzeil.

Met de stukken kan het getoond!

Niet legale, maar zedelijke verantwoordelijkheid stelt u, naar de aloude leer van alle Christenkerken, aansprakelijk: 1°. voor wat ge rechtstreeks; 2°. voor wat ge zijdelings doet; en 3°. ook voor wat ge in zedelijken zin zeker weet, ook al kondt ge het niet in rechten bewijzen.

Ge zijt geweermaker, en verkoopt wapenen. In drift en opgewondenheid stuift plotseling iemand uw winkel binnen, en in overspanning, mét dat hij het geld op uw toonbank werpt, vraagt hij u om een dolk. Gij, van uw zij, vraagt dien overspannen mensch: „Ge wilt toch geen moord begaan?" Maar hij weigert te antwoorden. „Ge mist het recht", zoo beweert hij, „om mij zulk een bekentenis af te vergen!" Maar juist dat zwijgen maakt uw onrust nog te sterker gaande. Immers juist door dat zwijgen weet ge nu zoo goed als zeker, dat het met dien man niet pluis is. En kortaf scheept ge dien wilden kooper af met de stellige weigering : „Een dolk geef ik u niet.'"

Nu zou elk ander zeggen: „Bravo van dien geweermaker! Verkoopen was hem winste; niet verkoopen schade; de man dreigde hem nog op den koop toe!" En toch, hij mócht niet anders doen. Door wel den dolk te geven, ware hij medeplichtig aan moord geworden.

Zoo leert het elk meester van Moraliën. De zedelijke verantwoordelijkheid beslist hier!

Maar hiermeê nu is de heer Hogerzeil het volstrekt niet eens.

Dat lijkt er niets naar!

Neen, zegt hij, tot die weigering had die winkelier volstrekt geen recht. Hij houdt winkel, en wie winkelt, moet leveren aan wie geld biedt. En nu kan het wel zijn, dat die man op moord zon; maar dat

Sluiten