Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zegen Uwer verkiezing aldus vertolkt: „zoo iemand dorst." O, alle gij dorstigen! vraagt dan niet, wat de engelen getuigen of de heiligen Gods beraden; vraagt niet in uwe bekommering allereerst en alleenlijk: ben ik wel uitverkoren? „Op den laatsten dag, den grooten van het feest stond Jezus en riep, zeggende: zoo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke."

„Die kome tot Mij." Het komen tot den Heere ontleent zijne kracht en vrijmoedigheid aan Hem, die het eerst komt, en aanklopt en woning maakt; gelijk de liefde tot Hem ontvonkt, wijl Hij het eerst heeft liefgehad; gelijk Hij spreekt tot Zijne beminden: „gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren." — „Die kome tot Mij": vertroostende roepstemme voor de dorstige ziel, die Hij reeds te voren in Zijne kruis-gestalte gekust heeft; heerlijk genadewerk, waartoe Hij reeds de eerste koorde heeft uitgeworpen met Zijne doorboorde handen,— en Zijner handen werk laat de Heere niet varen.

Ja, eene vertroostende roepstemme voor de dorstige ziel. Zelfs aan Hagar roept Hij toe: „vrees niet", en opent hare oogen, dat zij eene waterput ziet; hoeveel te meer zal Hij den zoon der erfenis gedenken, als Hij zachtkens fluistert: kom tot Mij ! — Reeds in den dag der schaduwen noodigt Hij van de bergen: „o, alle gij dorstigen! komt tot de wateren!" En als Ilij het bloed Zijns harten doet stroomen, en Zijn hart stelt tot eene geopende fontein, hoe wonderzoet breidt zich die stemme uit: kom tot Mij! En als Hij in de hemelen getuigt: „Het is geschied. Ik

Sluiten