Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heeren: „want de Heere is hoog, nogtans ziet Hij den nedrige aan!"

O heerlijke stroom van Gods genade! nimmermeer droogt gij uit, ook niet in den dag der groote hitte! o wonderbare stroom! — och Heere! schenk, vermeerder ons dat geloof!

Drie stroomen des levenden waters. En de naam der tweede rivier is de hope. Heerlijke wateren, die nu eens zachtkens gaan als Siloam's beek, dan weder vrolijk spoeden tusschen groenende zoomen, maar immer voortvloeijen op een vasten bodem.

Zachtkens als Siloam's beek, wanneer de ziel stil is tot God, en de morgenster des heils zoo vriendelijk schijnt ten tijde des avonds; wanneer de zilverglans der maan verbleekt voor 't versiersel van een zachtmoedigen geest, die kostelijk is voor God: „gelijk zich eertijds ook de heilige vrouwen versierden, die op God hoopten."

Vrolijk spoedende tusschen groenende zoomen: als de trouwe des Heeren ons zoo vriendelijk tegenlacht, en de stemme des Geestes zoo ruimschoots mede getuigt tot het: „Abba, Vader!" En engelen gaan ter zijde , uitgezonden ten dienste dergenen, die de zaligheid beërven; bloemen des vredes geuren; ziet ter regter en ter linkerzijn zij, die uitsproten tusschen in het gras, als de wilgen aan de water-beken. Vrolijk spoedende, maar spoedende, want zulke oogenblikken, waarin de hope alhaast tot eene zalige vervulling wordt, zijn niet bestendig voor deze aarde; zij wachten op den Hemel.

Doch hoe het zij, of deze wateren zachtkens gaan, of

Sluiten