Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrolijk spoeden, of zelfs onder stormachtige duisternis hevig bewogen worden, immer vloeijen zij voort op een vasten bodem. Want Christus is daar, en waar Hij is beschaamt de hope nimmer. Want Christus heeft Zijn hart en Zijne liefde ten pand gegeven, en nu moge alles wijken en verzinken, met Hem is de hope weggelegd in de hemelen. Want Christus is het alles-- nu ga dan, mijne ziel! in den dag des doods wijkt alles weg, maar gij zinkt neder in zijne armen!

O heerlijke stroom van Gods genade! nimmermeer droogt gij uit, ook niet in den dag der groote hitte! o wonderbare stroom! — och Heere! schenk, vermeerder ons die hope!

Drie stroomen des levenden waters. En de naam der derde rivier is de liefde. Paulus heeft aan hare oevers een heerlijk lied gezongen, ja de volheid van zijn hart strekt zich uit in de schoonste melodien der liefde, — helaas! dat zij zoo spaarzaam gehoord worden te midden der gemeente! „want al ware het, dat ik de talen der menschen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden."

O , kinderen Gods! kinderen der liefde! hoe wekt gij mijn hart tot heiligen naijver, 't zij dat uwe voeten spoeden om het verlorene te zoeken, 't zij dat gij eene vermoeide ziel laaft met uwe verfrisschende teugen — „de liefde zoekt zich zelve niet, zij denkt geen kwaad''— Hier hebt gij wonden met olie verzacht — gindsch vermaant gij met trouwe en bestraft met tranen — overal zoudt gij wel willen zegenen — en 't oog en 't hart zijn intusschen naar boven,

Sluiten