Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik door die gevaarlijke ziekte bezocht werd, zoo als boven door mij gemeld is, en waarvan de iieere mij nog genadiglijk heeft opgericht. Toen ik dan weer beter was geworden, gebeurde het eenigen tijd later eens, dat ik alleen in huis zat, en dat Ds. Hugenholtz. met een bekeerd Ouderling bij ons aan huis kwam om huisbezoek te doen.

De Predikant vroeg mij of ik geene vrouw, geen vader of geene moeder had; en toen hij moeder noemde werd ik zoo geweldig ontroerd, dat ik geen antwoord geven kon. Daarop vatte de ouderling die in onze buurt woonde, het woord op en verhaalde hoe die ziekte bij ons aan huis geheerscht had, en ik aan de poorten des doods gelegen had, doch door den genadigen God nog gespaard was. Toen sprak de Dominé mij met deze woorden aan: „Wel jongeling, dan heeft God zijne lankmoedigheid nog over u uitgestrekt en u nog tijd tot bekeering gegeven; nu zal het voor u wat te zeggen zijn, als gij nog langer in de zonde en de wereld doorgaat." Wat hij verder nog zeide, weet ik zoo nauwkeuring niet meer; maar die woorden zonken zoo in mijn hart, dat ik in een vloed van tranen nitbarste, en dat ben ik nooit kwijt geworpen.

Evenwel, ik werd niet bekeerd; maar toch kon ik voortaan niet meer zoo gerust in de zonde voort leven. Ik ging aan het verbeteren en mijn levenskoers te veranderen; verliet mijne goddelooze gezelschappen en zocht andere vrienden op, die wat stichtelijk er leefden. Ik liep 's avonds niet meer op de straat, maar ging naar de avondschool en

Sluiten