Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik bleef op mijne knieën liggen en wilde zoo wel blijven liggen. Het scheen mij toe alsof ons gansche huis glinsterde van de heerlijkheid Gods. Eindelijk geraakte ik al zingende te bed en kwam in slaag. Des morgens werd ik in den denzelfden toestand wakker, denzelfdeu psalm steeds in mijn hart zingende; ik ging naar het werk. Toen begon het zoo hard te regenen, dat wij het werk moesten staken; ik ging met mijn zaag naar den smid om die te vijlen. Daar kreeg ik zoo veel voor mijn gemoed, dat ik smid en zaag en alles verliet en naar van Biezen liep. Daar in huis komende viel ik op een stoel neder, maar kon van verwondering en aandoening niet spreken. Van Biezen vroeg wat er aan mij scheelde. Eindelijk riep ik uit: „o van Biezen! er is een wonder aan mij gebeurd. Nu kan ik gelooven dat de Heer de hand van genade aan mij gelegd heeft en dat Hij Zijn werk aan mij volbrengen zal." Ik deelde hem mode wat mij te beurt gevallen was. Hij was met mij verwonderd, en voor negen uur liep hij naar mijne vrouw, om haar te vertellen, wat mij overkomen was. Dienzelfden dag openbaarde zich de Heere Jezus nader aan mijne ziel, zoodat ik hem zoo klaar door het geloof aanschouwde, als zag ik hem met de oogen mijns lichaams. Ik zag naar de lucht en het scheen mij toe dat ik den Heere Jezus in al zijne volheid tegenover mijne zonden zag staan; en door dat gezicht werd ik als opgetogen in verwondering er over dat hij in de wereld was gekomen om zondaren zalig te maken; en daarop liep ik met die gestalte zoover weg alsof ik nu voor de eeuwigheid

Sluiten