Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duurde zoo voort, geheel die week door, tot Zaterdag avond toe. Toen werden mijne vrouw en ik, met uog een derde bij den kuiper aan huis verzocht. Daar ging ik weer in dezelfde drift naar toe. Ik boog eerst mijne knieën voor den Heere dat Hij mij een sprekende mond geven mocht; maar de Heere was van mij geweken, zonder dat ik dit gemerkt had. Daar komende zaten er vier vrome menschen om mij te hooren. Zij begonnen te spreken over het verdorven hart en hoe vast zij gedurig nog aan de wereld zaten. Dat duurde wel een uur; ik kon geen woord spreken. Die naast mij zat sprak mij op de volgende wijze aan: „Wel wat dunkt u van dit gesprek ?" Ik zeide: „och man, dat kan ik niet verstaan, ik ken daar niets van/ Zij gingen weder voort en spraken verder over den weg, maar mij werd het benauwd om het hart. Dat duurde tot negen uur toe; toen kon ik het niet langer uithouden en riep uit: „o Hestie (zoo was de naam van dien man)! Hij zeide: „wat is er?" Hierop ging ik voort: „o ik heb mij bedrogen, het is nog voor eeuwig mis met mij." Hij zeide: dat liegt de duivel, houd nu vast; wij gelooven allen wel dat God de hand vau genade aan u gelegd heeft, maar gij zijt te ver weggeloopen. Gij durfdet immers niet gelooven dat gij uwe zonden bij den Heere Jezus zijt kwijt geworden?" „Neen," zeide ik, „ik had alleen aan een toevluchtnemend geloof kennis." „Wel," zeide hij, „waarop zoudt gij dan de eeuwigheid ingegaan zijn ? Maar wees voorzichtig en geloof slechts dat de Heer u niet zal verlaten. O, wat hebben

Sluiten