Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoolang in het donker zoude blijven. In dien toestand kwam ik te Meppel eer ik er om dacht. Des morgens kwam ik onder het gehoor van een verleidend predikant, daaronder werd ik zoo verkeerd dat ik al mijne levendigheid verloor. Zulke bijzondere tijden heb ik in die dagen gedurig doorleefd; maar er bleef mij altoos nog iets over; en dat was, dat ik God niet als verzoend Vader durfde aanspreken. Zulks kwam mij te groot voor; en mij dacht, dat moest ik ook nog leeren kennen en ondervinden. Ik sprak er met eene Jufvrouw over die mij zeide, dat ik maar eens beginnen moest met het Onze Vader te bidden. Ik zeide: „moet ik -het doen, jufvrouw; dan is het mis; ik meen dat de Heere het mij schenken moet." Ook sprak ik er met eene vrome vrouw over; die zeide: „houd maar aan bij den Heere; uw weg is mijn weg: hem dien de Heere daar zoo gezet mede werkzaam maakt, wil hij het ook schenken." Dat duurde zoo tot een paar jaar na mijne redding. Toen was ik eene geheele week door zoo werkzaam. Ik moest tot eer van God leven, daar de Heere zulke groote dingen aan mij gedaan en mij uit zoo grooten nood gered had. Mijn gansche leven moest nu voor den Heere zijn. Daar werkte ik in eigen kracht voort en wilde geheel zonder zonde leven. Toen kwamen mij gedurig deze woorden voor: ik ben het, die uwe overtredingen uitdelg. Ik gedenk uwe zonden niet meer. Ik kon daar niet recht mede werken. Des Zondags kwam ik in de kerk; toen las Ds. Duin dezelfde woorden af tot zijn tekst, en merkte aan, dat hier God de Vader als de eerste persoon

Sluiten