Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natte kleeren maar door, zoodat zij mij aan liet lichaam bevroren, want tijd om ze uittetrekken was er niet. Dat bedroog mij echter want ik kreeg er zware koortsen op en wérd erg ziek. Toen heb ik wel acht jaren gesukkeld, en was gedurig zoo zwak dat ik niet gaan kon. Dan ging het mij wel eens als Azaf, dat ik nijdig was op der goddeloozen voorspoed; en gedurig kwamen mij de woorden voor den geest:

Zij weten van geen tranenbrood,

Noch van geen banden tot den dood. Hun kracht is frisch, zij zijn gezond Tot aan hun laatsten avondstond.

Als ik aan die woorden kwam werd ik veel bepaald bij den dood, namenlijk, hoe groot het onderscheid dan zou wezen, daar mijn einde toch vrede was. Maar somwijlen was ik wel moedeloos. Ook kon ik niets geen eten verdragen; dan zeide ik wel eens tegen mijne vrouw: „als de Ileere mij belieft wegtenemen dan moet gij hier niet blijven, gij kunt die betrekking door geen knechts waarnemen." Dan gaf mijne vrouw altoos ten antwoord: dat de Heere mij nog wel weer oprichten en een lang leven schenken zou. Dat kon zij altoos gelooven en dit gaf mij dan weer moed en beurde mij soms weer op. De Heere heeft het ook bevestigd, want nu ben ik al bijna drieënzeventig jaar, zoodat het nu al eene lange reeks van jaren is. De Heere heeft ons een twaalftal kinderen gegeven , van welke er nu reeds voor den troon zijn. Zeven zijn er al van dood; van dezen wenschte ik nog nader te schrijven. Een kind hebben wij verloren, dat slechts een half uur

Sluiten