Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beenen ?" (bij had het vuur in de beenen en opene wonden er aan), was altoos het antwoord: „Wat beenen, als ik den Heere maar tot mijn deel had dan zou alles wel zijn." Zoo zwaar wogen hem zijne eeuwige belangen. Des daags voor zijn dood, op -een zondag, zouden wij een preek lezen. Toen zeide ik: wij zullen maar niet zingen om de vijanden; die zouden wel zeggen : „ „ daar ligt er een op sterven , en nog zingt dat volk.'"' Maar hij antwoordde, terwijl hij achter mij op zijn bed lag: „wat schelen ons de menschen? Wij hebben alleen met God te doen. Wij zongen Psalm 130, waar hij veel onder genoot. Daarop lazen wij eene preek van Comrie, waaronder hij veel bemoediging kreeg maar hij was nog niet gerust. Den volgenden morgen, zijnde de dag van zijnen dood, kwam ik bij hem, en vroeg hem: „Hoe gaat het Jan?" Toen antwoordde hij: „Och, vader, ik kan nu zoo niet meer bidden van wege mijne zwakheid, maar dat weet de Heere Jezus ook wel;" waarop ik zeide: „Dan moet gij nu met den profeet zeggen: „Ik zal uitzien en wachten op den Heere en hopen op den God mijns heils." „O ja," zeide hij. Ik vroeg hem of hij wel geheel zonder troost was ? „O neen," zeide hij, maar ik heb toch niet genoeg voor de eeuwigheid om den dood in te gaan." Ik zeide dat de Heere het op een oogenblik doen kon. 's Middags 0111 twee uur zat mijne vrouw bij hem voor het bed en zag hem aan; toen was het of er een glans op zijn aangezicht lag; haar kwamen de woorden voor: „Henoch wandelde met God, en God nam hem weg, en hij was niet meer;" met toepas-

Sluiten