Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik iu alleenspraak met God was. Ik vond zooveel toegang tot den troon der genade dat ik in tranen wegsmolt. Daarop kwam mijn knecht inloopen; en toen hij mij zag en hoorde worstelen met God, raakte hij geheel overstuur: Ik zeide tot hem: „Ja jongen, daar ziet gij uw baas; die heeft in zijne jonge jaren, zooals gij zijt, zich aan God overgegeven. Mocht gij ook nog eens zoo gelukkig worden, dat gij bekeerd werd en God leerdet kennen en u zeiven." Daarop ging ik voor de deur staan, midden op den dijk; en de kogels vlogen om mij heen. Daar kreeg ik zooveel aan mijn gemoed van het werk des Geestes dat ik als verslonden werd, en uitriep: „o God, lieb ik mij niet voor tijd en eeuwigheid aan U overgegeven, dan doe ik het nog op nieuw in dit oogenblik en al wilt gij mij nu door een kogel wegnemen, Heere het is goed, en wilt Gij mij alles ontnemen, vrouw en kind, en mij hier naakt aan den dijk zetten, dan zal ik nog met Job zeggen: de Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, den naam des Heeren zij geloofd. Eenmaal in mijn leven heb ik vier dagen in de gestalte van Job gestaan. Toen heb ik vier dagen in de nabijheid Gods mogen verkeeren. Ik was veel zingende in mijn hart, bijzonder uit Psalm 23, 24 en 91. En ik was zoo los van de wereld dat toen wij goed uit ons huis naar de stad brachten en ik een arm vol porcelein had, ik dit in stukken smeet tegen het hout en uitriep: „weg wereld, ik wil er niets meer van hebben, ik heb aan God alleen genoeg." O, wat had ik het zalig voor mijne ziel! Daar wij met al wat wij hadden vluchten

Sluiten