Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar ik digt bij hem zat. Maar toen ik de kerk uitging werd mij ingeworpen: dat ik mij nu wel gekweten had, met zoo hard te zingen. De dominé zou wel eens bij mij kunnen komen en vragen waarom ik geen gezangen zong. Ik zeide: „duivel, omdat God het niet wil hebben."

Toen ik weg ging kwamen mij die woorden voor: „Enoch wandelde met God." Toen werd ik ingeleid wie Enoch was, een Adamskind, gelijk ook ik was. Toen zag ik wat het wilde zeggen: Enoch wandelde met God, dat Enoch in alles den Heere zocht en in alles van Hem afhing en Hem om raad vroeg. Nu was ik ook een Enoch en vroeg den Heere om raad. Ik werd zoo levendig van verwondering in God; en toen ik te huis kwam en de deur opende, zeide mijne vrouw: „ik behoef niet te vragen hoe gij gesteld zijt, er ligt een glans op uw gezicht." Ik kon haar niet toespreken, maar ging haar voorbij en ging in de kamer en viel in verwondering voor God neder daar Hij met zulk een monster gemeenschap wilde hebben. Nog heb ik eens een bijzonderen toestand mogen ondervinden. Toen er een gezang werd opgegeven kreeg ik weêr die aanvallen; dat hracht mij voor den Heere en ik begeerde een teek en. Als ik nu recht had, zou de Heere een verwarring onder het gezang geven. En de Heere verhoorde mij. Er kwam verwarring onder het gezang; de een zong dit, de ander wat anders, en toen men twee regels gezongen had, zeide de dominé van den stoel: „gemeente houd op, er is verwarring, de schuld is aan mij, van wege de kortheid van mijn geheugen heb ik ver-

Sluiten