Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus en de Emmaüsgangers

Twee jongeren gaan langs een landweg. Hopelooze droefheid drukt hen als een zware last. Als opgejaagde vogels cirkelen hun gedachten zonder ophouden om de verschrikkelijke gebeurtenis van den vorigen dag. Iemand voegt zich bij hen. Zij kennen hem niet. Maar de vreemdeling weet hun mond en hart te openen, zoodat zij al hun leed hem openbaren. Het verhaal is uit. Als zij meenen, dat hij nu hun wanhoop en troostelooze droefheid moet deelen, begint hij met hen te spreken. Niets nieuws zegt hij. Alleen ontvangen oude woorden van de Heilige Schrift nieuwe heerlijkheid. Zijn het niet dezelfde woorden, die Jezus meer dan eens uitsprak als Hij wees op het lijden en sterven dat Hem wachtte? Zijn het niet dezelfde woorden, die bij de Voetwassching en het Avondmaal de Zijnen zoo liefdevol wilden voorbereiden en sterk maken voor het verschrikkelijke dat komen ging?

„Moest de Christus niet deze dingen lijden?"

Als het avond wordt, geeft de vreemdeling gehoor aan het verzoek van de twee en zet zich met hen aan den disch. Hij neemt het brood in zijne handen en bidt. Hoe bidt hij! Dit is een bidden, dat hen in de gemeenschap met hem, die bidt, opneemt, hen opheft in de tegenwoordigheid Gods. Zulk bidden kennen zij!

De vreemdeling is niet meer bij hen. Maar voor de twee mannen is de donkere avond licht geworden. Geen onverwacht gebeuren heeft ze overvallen, geen uitbundig licht ze overweldigd, geen donderslag ze terneer geworpen. Slechts een enkel woord hebben ze gehoord, slechts één gebed meegebeden — maar dat was vertrouwd en bekend door Jezus. Het was Zijn woord en Zijn geest, het was Gods woord en Gods geest. „En hunne oogen werden geopend en zij kenden Hem."

De daad Gods, die den door menschenhanden gedooden en begraven Heer tot leven wekte uit den dood, kan men niet beschrijven. Alleen de weerspiegeling ervan in de harten der jongeren, die de zekerheid ontvingen: de Heer is waarlijk opgestaan.

(Luc. 24 vs. 13—35)

Sluiten