Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rede van Ds. A. S. Talma,

• GEHOUDEN IN DE ZITTING VAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL VAN DONDERDAG 3 DECEMBER 1903.

i Het | „geweten

der antirevolutionaire K-partij"

Mijnheer de Voorzitter! Nu verschillende leden, aan deze zijde der Kamer gezeten, reeds het woord hebben gevoerd naar aanleiding van hetgeen- van de overzijde en ojk uit een hoek van deze zijde der Kamer tegen het beleid der Regeering is ingebracht, zou ik hebben kunnen zwijgen, indien er niet enkele puuten waren, waarop ik meen, dat eenige nadeie toelichting niet overbodig is. Ik zal, bij hetgeen ik ga zeggen, niet spreken over hetgeen van uit den door mij aangeduiden hoek der rechterzijde tegen deze Regeering is ingebracht. Wel zou ik niet durven beweren, dat hetgeen

uit dien hoek neeit geKJomcen, aoor neigeen van ueae ëwcSuic,imuD

is weerlegd, maar ik geloof, dat dit ligt aan het karakter van het optreden van den gtachten afgevaardigde uit Den Helder. Toen die geachte spreker verleden jaar hier een rede had gehouden', die in vorm wat feller, maar in uitdrukking veel minder beslist was dan nu, werd die geachte afgevaardigde in een onzer dagblacleri, in Het Volk, genoemd het geweten van de, antirevolutionnaire partij.

Nu zal Het Volk morgen waarschijnlijk wel vertellen, dat, na de rede van den heer Staalman van gisteren, het er alles van heeft, dat de antirevolutionnaire partij binnenkort gewetenloos zal zijn.

Ik geloof echter, dat de opmerking van Het Volk niet al te ernstig moet worden opgenomen, want vóór den datum waarop die qualificatie aan den geachten afgevaardigde uit Den Helder is gegeven, en ook na dien datum, is het voldoende gebleken, dat, naar Het Volkten minste, het met dit geweten van de aidirevolutionnaire partij al heel droevig is gesteld, zoodat het niet al te vreemd zal worden gevonden, wanneer wij naar dat geweten niet al te stipt luisteren.

Ik heb er eens over nagedacht, hoe Het Volk er toe kwam om den heer Staalman te noemen het geweten van de antirevolutionnaire partij, en ik ben op de gedachte gekomen, dat de vorige redacteur van Het Volk indertijd misschien zijn zedenkunde heeft geloerd van een leermeester, die er even over dacht ais de mijne, die er ons altijd op wees, dat het eigenaardige van het geweten is, dat het geweten altijd zegt: neen ! Het geweten treedt in ons altijd op negatief. En nu zijn wij het er allen zeker over eens, dat het misschien mogelijk is te vechten tegen een positieve thesis, hoe breed ook opgezet; maar dammen met eenige kaos op welslagen kan vechten tegen het breede veld van een negatie, ik geloof niet, dat iemand dit in ernst zal onderstellen.

Van de punten, waarover ik r^u meer btpaalde'ijk wensch te spreken, is het eerste er een de staking, dat door den geachten afgevaardigde uit Groningen en daarna door dien uit Zutfen is ter sprake gebracht, n.l. het beleid der Regiering op 31 Januari. De geachte afgevaardigde uit Groningen is begonnen met te zeggen, dat dit beleid op 31 Januari misschien door een andere Regeering niet met meer succes had kunnen worden gevoerd, maar dat dit"succes dan toch was het kleinst denkbare.

De geachte afgevaardigde uit Zutfen is eindelijk voor den dag gekomen met datgene, waartoe hij uitgedaagd was door de Regeering inde stukken,

Sluiten