Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er weer eens aan doet, zou ik hein meerdere zorg in de keuze aanbevelen. Hij heeft regels aangehaald uit Shakespeare's „Richard III", uit een monoloog van Gloucester.

Die monoloog bestaat uit 15 a 20 regels en eindigt met de woorden, door den heer Troelsfra gebezigd. Maar nu is het toch eenigszins zonderling, dat iemand, die in de staking een rol vervuld heeft als de heer Troelstra, ons een verwijt naar het hoofd durft slingeren met woorden uit die monoloog ; want hoe begint die monoloog ?

Ik doe het booze, en roep het eerst om wraak ;

Het onheil, dat ik heimelijk heb gesticht,

Leg ik, als een zwaren la-t, op vreemde schouders.

Wanneer de heer Troelstra nu weer literaire aanhalingen bezigt, moet hij wat voorzichtiger zijn, want, wanneer wij eens naslaan, of hij zijn citaten goed heeft gekozen, is het voor hem onaangenaam, wanneer wij komen tot zulke coïncidenties.

Niet, dat ik die woorden op den heer Troelstra zou willen toepassen. Integendeel; ik vind het ongepast in deze Kamer, dat eenigparlementslid wie dan ook, aan een ander op de lippen legt woorden, die door een dichter op de lippen gelegd zijn van een schurk-, van een aterling, door hem gesproken in de eenzaamheid.

De heer Troelstra heeft^ hier wel eens meer gesproken van huichelarij. Dit had altijd nog dit ééne voor, dat hij, dit woord bezigend, daarmede niet noodzakelijk bedoelde: bewuste huichelarij.

Maar hier is iets anders gezegd.

__Gloucester sprak in het openbaar vroom, maar was hij alleen, dan lachte hij er om, dat hij de arme menschen had beetgenomen met stukken uit de Heilige Schrift, die hij hun als een blinddoek voor de oogen had gebonden.

Die woorden te gebruiken met toepassing op anderen, is een aanranding van hun goede trouw, en wanneer de heer Troelstra in zijn rede aan de heeren van de pers het geheim openbaart, dat hij niet alleen met den heer Gpeman Borgesius en den heer Drucker, maar ook wel eens met een Katholiek of een antirevolutionnair spreekt, moet ik dit wel opvatten dat hij daarmede bedoelt een antirevolutionnair die zich heeft ingelaten'met

de bedrijven van April, want hij zou zich zelf beleedigen, wanneer hij de onderstelling uitspreekt, op vriendschappelijke wijze te kunnen omgaan met menschen, waarover hij zóó oordeelt.

Er zijn grenzen aan alle dingen. De heer Troelstra heeft dit niet gezegd in het vuui zijner iede; hij heeft het rustig thuis nagelezen en opgeschreven en Het Vulk_ is nog niet verschenen, of deze woorden waren zorgvuldig in een hoofdartikel uitgeschreven, opdat iedereen ze toch vooral zou lezen in Nederland.

En dat, terwijl, wat van onzen kant geschied is, is gebeurd met open vizier. Van het begin tot hef einde zijn wij gebleven in één lijn, terwijl tegenstanders en vrienden wisten, wat zij aan ons hadden. Alles hebben wij gedaan om de menschen tegen te houden, maar alles wat wij deden was openbaar.

Heeft dan de heer Troelstra niet begrepen, wat wij voorhadden? En weet hij dan niet, dat juist hij telkens vrienden en vijanden in de war heeft gebracht ?

Indien er iemand is, die, wanneer hij aan die dagen denkt, er aan moet denken met zorg, is het de heer Troelstra.

Ik zeg dit niet als een verwijt. Neen, Mijnheer de Voorzitter, ik verwijt den heer Troelstra niets in verband met de staking. Hij moet, wat hii gedaan heeft, geheel en al voor zich zelf verantwoorden.

Het waren voor een ieder, die met de arbeiders wereld in betrekking stond, baDge en zorgelijke dagen; iedereen begreep, wat hij ook denken zeggen of hopen mocht,^ dat het dagen waren, die de reactie moesten inleiden.

* 'aai dan, als dan iemand gesproken heeft en gedaan, zooals de heer

Sluiten