Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Memorie van Antwoord

Algemeene beschouwingen.

§ 1. Dé Regeering heeft met belangstelling kennis genomen van hetgeen van verschillende zijden is aangevoerd aangaande de beginselen van het Kabinet. Zij waardeert den toon van rustige gedachtenwisseling, die daarin klinkt, en verheugt zich over de betuiging van waardeering der houding van het Kabinet, welke als verzoenend is a<3/HgGmGrkt *

Zij verwondert zich echter eenerzijds, dat naar de meening van een' deel der leden wellicht eene belangrijke frontverandering ware te constateeren; anderzijds, dat sommige leden betreurden, dat het Kabinet, vooral door het vermijden van de uitdrukking „Christelijke beginselen", eenigen grond had gegeven voor de _ onderstelling, dat het de principieele onderscheiding tusschen de Christelijke beginselen en die van daaraan tegenovergestelde richtingen had losgelaten en dat het dus eene eenigszins andere schakeering der partijen ter rechterzijde vertegenwoordigde dan het Ministerie-Kuyper. Noch aan het een.'noch aan het ander is gedacht. Het tegenwoordig Kabinet gevoelt zich met dat van 1901 homogeen; het heeft zich op hetzelfde standpunt geplaatst en wil in geen enkel opzicht geacht worden de bestrijding, die in 1905 dit Kabinet ten val bracht, door zijn optreden te rechtvaardigen. Yan eenig verschil van streven met de beide vorige Kabinetten der rechterzijde is het tegenwoordig Kabinet zich niet bewust, en het heeft zich hieromtrent van den aanvang af, naar het meent' zonder omwegen, uitgesproken. '

Dit is geschied, toen de Minister van Binnenlandsche Zaken op 10 Maart namens de Regeering verklaarde, dat zij wenschte het bewind te voeren overeenkomstig de beginselen, levende in de partijen der rechterzijde. Dat hierbij uitdrukkelijk vermelding had moeten geschieden van de Christelijke beginselen, zou slechts kunnen worden toegegeven, indien men zou . aannemen, dat _ deze beginselen niet in die der rechterzijde opgesloten zijn. Doch ieder, en zij, die tot de rechterzijde behooren, zeker niet het minst, weten, dat mdeidaad de partijen der rechterzij de, van eigen tekortkoming zich bewust, niettemin het zich ten plicht rekenen om hunne staatkunde, door de Christelijke beginselen te doen beheerschen.

Het Kabinet meende, dat twijfel aan zijne besliste overtuiging aangaande de noodzakelijkheid daarvan dus was uitgesloten en, waar die twijfel tot zijn leedwezen bij eenigen gerezen is, moet het de verantwoordelijkheid daarvoor met ernst afwijzen.

De omstandigheden, waaronder het Kabinet optrad, bepaalden de keuze der op 10 Maart gebezigde woorden. Het Kabinet, homogeen met de rechterzijde, moest rekenschap geven, waarom het optrad, niettegenstaande de rechterzijde niet de meerderheid der Kamer uitmaakte, en daarbij moest, in tegenstelling met de rechterzijde, die niet, aanstonds de linkerzijde worden vermeld, die wel m de meerderheid was, doch geene aaneengesloten meerderheid vormde. Waar de gebezigde uitdrukking zich gehfeel aansloot aan de

Sluiten