Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denkt uit te gaan. bij zijn arbeid op dit gebied, is, omdat daartoe tot hiertoe de aanleiding en de goede gelegenheid ontbrak. Ook de Kamer onthield zich dan ook tot hiertoe om daarnaar te .vragen. Op deze aangelegenheid wordt hieronder teruggekomen.

Van verschillende zijden werden nadere inlichtingen gevraagd omtrent de meening van het Kabinet ten aanzien van belangrijke onderwerpen va.n politieken aard. Bepaaldelijk zou men, zoo wordt verder gezegd, gaarne in kennis gesteld worden met de inzichten van het Ministerie aangaande de herziening der Grondwet; de herziening van het kiesrecht; de sociale hervormingen; de bevordering van liet bijzonder onderwijs; de militaire aangèlegenheden; het eedsvraagstuk; het nemen van maatregelen tegen den abortus provocatus en tegen pornografische afbeeldingen, en het herstel der doodstiai.

Instemmende' met het daaromtrent aangevoerde op bladz. .» van het Voorloopig Verslag, meent de Regeering voor de geda>chtenwisseling over de militaire aangelegenheden naar de behandeling van het VUIste Hoofdstuk der Staatsbegrooting te moeten verwijzen.

Alvorens ten aanzien van de overige onderwerpen eemge mededee-

lingen te doen, zij het der Regeering vergund het volgende op te merken.

Met eenige bevreemding vernam zij de verklaring van sommige leden dat, mochten de verklaringen der Regeering m een of ander opzicht niet overeenstemmen met hunne overtuiging omtrent de wijze, waarop een op Christelijke beginselen gegrond Ministerie behoort te handelen, zij zich verplicht zouden zien van die overtuiging bij de verkiezingen te doen blijken, aangezien m den politieken strijd beginselen boven personen moeten gaan,. Dit spreekt toch zoo van-, zelf dat mededeeling daarvan overbodig scheen, tenzij men veronderstelde, dat zij op de overtuiging en de inzichten der Regeering invloed zou kunnen uitoefenen. De Regeering is zich bewust, tot zoodanige veronderstelling geene aanleiding te hebben gegeven, /aj beaamt overigens ten volle de meening van deze leden, dat m den politieken strijd beginselen boven personen moeten gaan. -

In verband hiermede moet in het oog worden gehouden, dat liet, gelijk door vele leden terecht wordt opgemerkt, niet op den weg der Regeering ligt een stembusprogramma te leveren en dat een Kegeeringsprogramma voor een parlementaire periode eerst dan tijdig kan worden geacht, wanneer die periode is ingetreden.

Dit neemt niet weg, dat de Regeering gaarne erkent, dat het op den weg der Kamer ligt, rekenschap van gevoelen te A-ragen, en op den weg van het Kabinet, zich uit te spreken over die vragen, die

staatkundig aan de orde zijn. ■■ ,

'De vraag of het nader onderzoek van het vraagstuk der grondwetsherziening, waarvan^ in de Regeeringsverklarmg van 10 Maar wordt gesproken, thans lieeft plaats gehad, moet ontkennend woiden

beantwoord. . , r, . . , •.

Dit onderzoek behoort naar de meening der Regeering niet, uitsluitend het kiesrecht te betreffen, en zou, ware het thans' reeds begonnen, niet hebben kunnen leiden tot voldoende v^rbereiding van een in te dienen voorstel. De grondslag van die voorbereid g kan met vrucht eerst na de verkiezingen worden gelegd, en die voorbereiding zal alsdan spoedig zijn ter hand te nemen. Nu reeds: t verklaren op welke punten naar het inzicht der Regeer mg wijzigingen in de Grondwet zullen moeten worden gebracht, is uit den aard der zaak onmogelijk, nu het onderzoek niet heeft plaats gehad

Herziening van het kiesrecht acht de Regeering wenschelijk, en zoolang zij niet door de uitkomsten van het onderzoek betreffende

Sluiten