Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechterzijde alleen, maar wij hoörden Het nu reeds, ook voor de linkerzijde. "Wij hebben toch gisteren den heer Troelstra er over hooren klagen, dat „het Nut" eh „Volksonderwijs" scholen oprichten ten einde te ontkomen aan de sociaal-democratische zuigkracht. Laat dus die heeren blijde zijn, dat wij hun de gelegenheid hebben verschaft om aan de omarming van de sociaal-democratie te ontkomen. Want dat zij vrije scholen kunnen oprichten, hebben zij aan ons te danken. Wanneer wij niet zoolang op eigen kotsten hadden gestreden tegen de zuigkracht van die nieuwe beginselen, dan zouden zij nu niet de vrije scholen van ,,Nut" en „Volksonderwijs" hebben; zij, die niet mede willen doen aan; de sociaal-democratiSeering van ons volk, zouden dan in slechter conditie zijn dan thans.

De heer Roodhuyzen: Er bestaan al Nuts scholen sedert 30 jaar.

De heer De Savornin Lohman: Ik acht het wegens de hilariteit, die deze interruptie deed ontstaan, niet noodig, nader op deze interruptie in te gaan. Dat is zeker, dat, wanneer de sociaal-democraten vrij spel hadden, een vrije school niet eens zou kunnen worden geopend, althans wanneer wij mogen afgaan op hetgeen thans in Madagascar geschiedt. Zou het nu geen dwaasheid zijn, wanneer wij' gehoor gaven aan hen, die trachten ons onze geheele geschiedenis te doen vergeten, en ons tot zich te lokken door te zeggen: de antithese is niet noodig, kom gerust bij ons, bij ons zijt gij veilig? Neen, is ons antwoord, gij kunt, voor zoover gij nog staat op de oude fundamenten en die vooir goed hbudt, tot' ons komen, maar wij kunnen nimmer tot u komen.

Men maakt zich zoo> beangst! over deze antithese1. Maar er is nog een andere antithese, waarop ook de heer Troelstra heeft gewezen, de antithese n.1. tusschen' de sociaal-democraten en de burgerlijke partijen. Nu wil ik die antithese ook maken, doch op eenigszins andere wijze dan die geachte afgevaardigde. En dan wil ik in dit verband eenige aanhalingen doen. In de eerste plaats uit het Octobernuinmer van „De Nieuwe Tijd". Daar bestrijdt de heer Gorter den heer Kloos, omdat deze als grond voor het bestaan van een God aanvoert de zedeleer, het altruïsme, iets dat niet in het materialisme wortelt en waarvan dus niet de stof, n^aar God de oorzaak zou zijn. Neen, zegt Gorter, de zedeleer heeft geen anderen dan aardschen oorsprong. De oorzaken er van liggen in ons eigen, menschelijk, dierlijk, aardsch leven. Wat ik hier voorlees zijn slechts uittreksels, maar zooveel mogelijk woordelijk, uit genoemd tijdschriftartikel.

Maar nu gelden die wetten der zedelijkheid dan ook alleen tegenover de klasse waartoe men behoort. Het zedelijke gebod kan niet gelden tegenover de klasse, die de onze (bedoeld worden de arbeidersklasse, inclusief den heer Gorter), tracht te vernietigen of krachteloos te maken. Tegenover de andere klasse, waartoe u, Mijnheer de Voorzitter, bijv., en. ik behoorën, geldt dat hoogste zedelijk gebod evenmin als tegdnover den vijand. ■

De heer Troelstra: Het is alsof het Atjeh gold. Uw moraal omtrent de Atjehers wordt daar teruggegeven.

De heer De Savornin Lohman: De heer Troelstra herinnert aan Atjeh. En nu wil ik er mijnerzijds aan herinneren, dat bij hot debat over Atjeh de geestverwanten van den heer Troelstra juist op den voorgrond hebben gesteld, dat wij het hoogste zedelijkheidsgebod ook moesten doen gelden tegenover de Atjehers. Wat volgt

Sluiten