Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel zij naar hnn inwendig menfchelijk gevoel van het te-* gendeel overtuigd waren. Hunne vraag ontftond alleen uit louter vijandfchap, niet flechts tegen Jezus, zoo als zij Hem daar voor zich zagen (laan, maar tegen Christus in het algemeen; och ja! al ware het in der daad, hier op deze plaats, waar Jezus thans ftond, dat Hij zijne heerlijkheid, gelijk op den berg Thabor aan zijne discipelen, had getoond, zoo zouden zij nogtans in hunne vijandfchap en in hun haten tegen Hem volhard hebben, hoewel zij zich niet mogten in (iaat bevonden hebben, Hem ter dood te brengen.

Zoo bezweert dan Jezus, gelijk Hij uitgedaagd was, die groote, gewigtige en dierbare waarheid, dat Hij is, de Christus, de Zone Gods, op de toen gebruikelijke wijze, terwijl Hij antwoordde: Gij hebt het gezegd! evenwel voegt Hij er ook iets tot eenen gewigtige nadruk bij, terwijl Hij betuigt: Doch Ik zeg ulieden, — en wat zegt Hij hun dan ? Van nu aan zult gij zien den Zoon des menjchen zittejide ter regter [hand] der kracht [Gods] en komende op de volken des hemels.

Ziet, zco protesteert Hij tegen hun ijzeren ongeloof; maar ook te gelijk tegen eiken eisch, om zijn beëedigd gezegde, ook niet in het geringfte met drangredenen nog minder met een wonder te bekrachtigen; want, dat verkeert gedacht zou geen teken meer worden gegeven, dan dat van Jona. Jezus wijst hen op de Eeuwigheid, waaraan zij wel weinig of niets geloofden. Zij hadden Hem door den Hem opgelegden Eed voor den regterftoel Gods opgeeischt; doch Hij eischt hen met zgn: Ik zeg ulieden! wederkeerig voor Gods gerigt. Zij waren gebelgd over zijne uiterlijke nederigheid; evenwel, Hij, die zoo even bezworen had, dat Hij de Zone des levenden Gods zij, geeft ze toe, en noemt zich de Zoon des menfchen. Nogtans zegt Hij hun, tevens, dat dit zeer fpoedig zou veranderen; daar Hij zou zitten ter regter der

kracht

Sluiten