Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voordeelen, — zijn, uit den aard der instelling zelve, gegrond niet in personen, maar in de Classe, als zedelijk ligchaam , hetwelk blijft voortduren, zoolang, door opvolging van predikanten in de gemeenten tot de Classe behoorende, dat ligchaam in stand wordt gehouden.

De bewering, dat deze instellingen verbindtenissen zouden zijn tusschen bijzondere personen, tot staving van welke eene Disp. van den Comm. Gen. van 7 November 1816 eenige aanleiding schijnt te geven, berust op eene geheel eenzijdige opvatting der Dispositie, die naar hare beteekenis en bedoeling dat beweren zelfs in den weg staat. Het feitelijk sluiten of niet behoorlijk openstellen van zoodanige fondsen, kan, al ware het getal der leden zeer klein geworden, niet derogeren noch aan het regt der Classe, noch aan dat van zoodanige predikanten, die niet in de gelegenheid, tot de aanvaarding van het deelgenootschap aan die fondsen, mogten zijn gesteld, om nog leden dier beurzen te worden op de wettiglijk vastgestelde voorwaarden , noch ook aan den pligt des Bestuurs, om voor het regt der Classe te waken. Hoogst belangrijke beschouwingen over dat onderwerp vindt men in de H. S. bl. 130 , 271 en 342.

Ook in sommige Ringen bestaan weduwen- en weezen-beurzen: er wordt van deze instellingen in dit Reglement niet gesproken; maar wat van de Classikale weduwenfondsen gelden mag, zal ook op die der Ringen, althans wat betreft den oorsprong en den aard dier instellingen , wel van toepassing zijn

(3) Zie art. 21 en de aant. aldaar.

(4) Zie de eerste aant. op art. 17.

Art. 44.

Tot dat einde:

1°. corresponderen zij met de Kerkelijke Besturen en andere collegien, en, waar zij het noodig achten, met bijzondere personen (1);

2°. doen zij, jaarlijks bij schriftelijke aanvragen, doch om de drie jaren, en voorts zoo dikwijls zij dit bij eenige gemeente noodig achten, persoonlijk, kerkvisitatie, volgens de daarop bestaande verordeningen. Zij geven steeds ken-

Sluiten