Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn," 1 Joh. 4:1,2. „ Indien iemand tot ulieden komt, en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem (als teeken van broedergemeenschap in CnpasTUs) niet: Wees gegroet," 2 Joh. 10; en, „strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is." Jud 3.

Wij noemden, kortheidshalve voor ons doel, slechts de hoofdwoorden van eenige plaatsen in Bijbelsche volgorde. De aandachtige lezer ga ze in hun verband na. Hij zal er uit zien , dat die strijd overal te voeren is waar dwalingen aanwezig zijn , die het wezen of den bloei en luister van dit rijk aantasten, en te meer, naarmate zij meer zielverdervend en rijkverwoestend zijn ; en dat wij daartoe verpligt zijn niet alleen buiten, maar veel meer binnen dat rijk of zijn uitwendige grenzen, omdat zij daar het allerverderfelijkst werken.

Dit laatste geldt ook nu wel vooral van onze Herv. Kerk als de gemeenschap, binnen welker muren de Heere naar Zijne oneindige goedheid, in ons Vaderland, vooral zijn geestelijk genaderijk wilde oprigten en bewaren. Het kan toch, helaas! niet ontkend worden, dat er in die Kerk dwalingen zijn ontstaan, niet alleen met den grondslag dier Kerkgemeenschap in regtstreekschen strijd, maar ook zoo verderfelijk, dat ze met de eer van den grooten Koning der Gemeente en den troost en de zaligheid van zielen in volstrekten strijd staan. Het gevolg is, dat elk geroepen is , naar de gaven , krachten en gelegenheid hem geschonken , aau dien strijd deel te nemen, en dat, zoo als wij later nader zien zullen, de poging om zich op een neutraal standpunt te houden, dat is: geene partij te kiezen bij verschillen van zooveel gewigt, niet mogelijk is, zonder ontrouw te worden aan de hooge verpligting ons opgedragen.

Is het dus zeker, dat niemand zich, ook aan dien strijd voor Gods waarheid, mag onttrekken, dan komt bij hem, die dit practisch gelooft, van zelve de vraag op de lippen, die wij aan het hoofd dezer opmerkingen plaatsten, de vraag namelijk: „hoe moeten wij strijden?" Allermoeijelijkste vraag, voorwaar, om haar regt te beantwoorden. Is het toch ook bij den uitwendigen strijd moeijelijk en veel insluitend om daarbij regt te verkeeren, vooral otn er leider in te zijn , veel meer geldt dit hier. Trouwens, de zaken waarvoor te strijden en de te gebruiken wapens zijn, of staan in verband met boven-zinnelijke waarheden, en zijn

Sluiten