Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onverdeeld zijne zaak voor te staan; dat wij ons, overtuigd van zijne krijgskunst en vermogen, met vertrouwen onder zijne banier scharen, wetende dat wij nooit buiten hem, maar met hem stellig de overwinning zullen behalen, en dat wij ons dus zonder eigenzinnigheid of voorbehoud onbepaald aan hem onderwerpen, en ook op den zwaarsten post stipt gehoorzamen.

Dit alles geldt dubbel in den hier bedoelden strijd.

Hier is toch de Koning en aanvoerder, de Heere Jezus het verheerlijkte Hoofd Zijner gemeente, aangemerkt als in strijd met den vorst der duisternis en zijn rijk. Dezen toch gelukte het, onder Gods hooge toelating, om na eigen' opstand, alle menschen te brengen tot afval van God, hunnen wettigen Schepper en Heer, en hen aan zich te onderwerpen. Doch nu behaagde het God, den beleedigden Koning, om in het bloed Zijns Zoons, uit eeuwige vrije liefde, weder een genaderijk tegen dat des duivels op te rigten, waarover Christus nu, als Middelaar, in's Vaders naam als Koning en legerhoofd heerscht, en waarvan elk waar strijder onderdaan is. Maar ook tegen dit genaderijk oefent de genoemde tirankoning, de duivel, in verband met zijne dienaars, nog bestendig strijd, met het doel, om dit zoo veel mogelijk te vernietigen of zijnen voortgang te stuiten. Hij doet het ook door zijne dienaars dwalingen te doen gelooven of immers voorstaan, die dikwijls onder den schijn of met de meening van het rijk Gods op te luisteren , dit inderdaad, zoover zij ingang vinden, van zijn grondslag berooven, en dus te grond rigten. En weet nu de Heere, in Zijn aanbiddelijk bestel uit het kwade het goede scheppende, vaak die dwalingen ook ter beproeving, loutering en zuivering Zijner gemeente en tot verduidelijking der voorstelling van Zijne waarheid zelve te doen dienen wij hebben ze naar Zijnen geopenbaarden wil te beschouwen , gelijk zij uit hunnen aard zijn, en dus, ware strijders zijnde,

1) Zoo dienden vaak, ook vooral in de eerste eeuwen na Christus geboorte, opkomende dwalingen, om daardoor de waarheden, die zij betroffen, tot meedere duidelijkheid te brengen. En hoezeer wij nimmer te waakzaam kunnen zijn tegen de dwaling zelve, om er niet zelve door vervoerd te worden, zoo mogen wij toch wel telkens onpartijdig en biddend onderzoeken, wat mogelijk, ook voor ons verstand of hart, in de dwaling zelve of haren oorsprong te leeren valt. In ons vierde stuk komen wij mogelijk hierop nog even terug.

Sluiten