Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als tegen onzen Koning en Zijn rijk gerigt, te bestrijden.

Uit het gezegde blijkt van zelf, dat de vereischten in ons beeld genoemd hier in geestelijken zin, veel meer dan uitwendig bij den strijd onder eenig' aardschen vorst, tot regt strijden onvermijdelijk zijn. Zullen wij bij dezen strijd, waar alleen harten-werk uit den aard der zaak als eigenlijk strijden kan gelden, als ware krijgsknechten van"dezen Koning werkzaam zijn; dan zal ons hier vooral betamen : Een levendig gezigt, dat de Koning, voor wiens zaak wij, ook in Zijne waarheid, strijden, door den afval der zonde schandelijk onteerd en in Zijn wettig regt miskend wordt, en dus de strijd tegen het zonde- en leugenrijk, ook uit het oogpunt van regt, voor ons dure pligt is. — Een diep gevoel van de heerlijkheid van dien Koning, die Zijne liefde voor ons als Zijne onderdanen zoo voorbeeldeloos toonde in Zijne vrijwillige zelfs-overgaaf, leven, kruisdood, opstanding, Geestbewerking en bewaring, en van Zijne onbeperkte wijsheid en magt als strijd Aanvoerder, om ons te dringen, Hem in Zijne waarheid, als openbaring dier heerlijkheid, tegen den Hem onteerenden leugen te verdedigen, en ook anderen in het zoete van Zijn zalig juk te doen deelen. — Eene opregte vrijwillige huldiging van Hem als Koning door eene ongeveinsde geloofs-overgaaf aan Hem, om Hem onbepaald, zonder zelfbedoeling , te dienen , en , uit een beginsel van geloofs-eenheid met Hem, Zijne zaak, ook die Zijner waarheid, tot Zijne eer en zielenheil, om Zijnent wil, tot de onze te maken, zoodat wij door den leugen ook ons, in onzen Koning, zien aangetast. En dus: — eene bereidheid, om Hem onbepaald gehoorzaam, niet eigenwillig, maar daar en zoo als Hij wil altijd ook den zwaarsten strijd tegen zonden en dus ook tegen Hem onteerende dwalingen in ons en buiten ons te strijden, gepaard met een hartelijk smartgevoel over- en belijdenis van alle zonde en dwaling, waardoor wij zeiven hem vaak onteerden. En eindelijk; — eene werkzame bewustheid van onze eigene blindheid en onvermogen om regt te strijden , en van liet groote genade voorregt te mogen strijden, waardoor wij gedrongen worden om te strijden, nooit buiten Hem, maar altijd in gemeenschap des geloofs en des gebeds met Hem, in Wien alleen onze kracht is, dus met de lessen voor oogen: „zonder Mij kunt gij niets doen," Joh. 15 : 5; „Mijne kracht wordt in zwakheid volbragt," 2 Cor. 12:9; en: „Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft," Fil. 4 : 13.

Sluiten