Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan noodig is te verdenken. Liefst wil hij hen zoo veel mogelijk beschouwen als door zucht naar eer of voordeel r of °door schijnredenen ongelukkig misleidden, en dus met medelijden. Hij wenscht dus ook zorgvuldig alles te vermijden, wat ook maar den schijn van persoonlijken haat, liefdeloosheid of onvriendelijkheid zou kunnen hebben. Hij wil gaarne ook het goede bij zijnen tegenstander opmerken, en waar dit kan, ook van hem leeren. Overtuigd, dat naar Salomo's woord , Spr. 14 : 28 „ in de menigte des volks des Konings heerlijkheid is," wil hij hen veel liever winnen door liefderijke overtuiging , dan bestrijden.

Moet hij strijden , hij doet het wel niet met zwakheid, maar toch met smart dat het door de verkeerdheid van zijnen tegenstander noodig is, en slechts zoover als het belang van Koning en volk volstrekt vordert. En ook dan is het doel niet om hen te vernielen, maar om hen zoo mogelijk onder den schepter van zijnen dierbaren Vorst terug te brengen. Slechts in den uitersten nood zal hy hen tot behoud van rust en veiligheid willen zien verbannen.

Doch ook dit is bij overbrenging niet minder waar, van

den strijder voor 's Heeren waarheid. _

Ook hier zullen wij ons, wanneer wij getrouw zijn, onbepaald vijand toonen tegen den tyran-koning, den duivel, tegen zijn rijk als rijk van zonde en leugen, en tegen elke daad in het voordeel van dat rijk verrigt; dus ook tegen alle dwalingen, waardoor de eer van onzen grooten C*od en Zaligmaker en de troost onzer ziel worden aangerand , en waarheden, zooals wij in het slot van ons derde stuk noemden, worden verloochend of bestreden. W aar het zoodanige zaken geldt, kunnen wij onmogelijk toegeven. Zeg ons iemand, gelijk wij thans zoo vaak hooren dat he slechts op de liefde aankomt en weinig ter zake doet wa wij gelooven, dan klinkt ons die taal in het oor als letterlijke onzin , daar wij toch weten, dat er geen ware liefde kan bestaan zonder geloof, en geen opregt geloof, of wij moeten weten en erkennen zaken , die wij gelooven , dat is eene leer of belijdenis. Wij kunnen toch God en Christus niet anders liefhebben en vertrouwen, dan voor wat wij van Hen gelooven. Hoe bereid wij dus ook zijn om toe tc geven in bijzaken, zooals wij in ons derde stuk noemden , hier kunnen wij dit niet. Wel is het ons ook hier met te doen om letters of klanken van belijdenis of formulieren , maar om de levende hoofdzaak , die, als m Gods W ooic.

Sluiten