Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hang tusschen godsdienst en zedelijkheid is een strijd tegen de sociale en politieke macht van den godsdienst, 't zij in zijn roomschen, oud*protestantschen of meer humanistischen vorm. Vrij algemeen is de erkenning, dat een zedeleer en een hoog zedelijk peil van individuen voor de instandhou» ding en de leiding van onze samenleving belangrijk, zelfs noodig zijn. Maar veel minder algemeen acht men daarvoor den godsdienst een vereischte. Wel houden nog zeer velen het er voor, dat men een godsdienstigen grondslag noodig heeft voor zedelijkheid en goede zeden der samenleving. Daardoor blijft ook de macht der kerken in het politieke en sociale leven groot, afgezien van hare beteekenis als vereeringsgemeenschap der geloovigen, die daarin hun Godsvertrouwen en hun verantwoordelijkheid doorleven.

Toch is de in de 18e eeuw opgekomen zienswijze door= gedrongen in wijden kring. De Hervormings^eeuwen hebben onder bloedige oorlogen en vervolgingen de eenheid der religie inde volken en tusschen de volken van Europa verbroken. De kerken, althans de groote, zijn tegenover elkander nog steeds onverdraagzaam. Daardoor moest men wel een anderen grondslag zoeken dan de kerkelijk>gods* dienstige voor het zedelijk moment, dat in het sociale en politieke leven is vervat. Want dit leven gaat allen aan, onverschillig van welke of van geene kerk. Men heeft het toen beproefd met den natuurlijken, later met den redelijken godsdienst, en vooral met verdraagzaamheid en vrijheid als geestelijke elementen van samenleving, welke proeven wel waarde hebben gehad en ook behouden. Maar de oude plaats bleef toch ledig. Zoo moest wel de gedachte komen van een zedeleer, onafhankelijk van godsdienstige en kers kelijke overtuigingen. Reeds P. Bayle waagde te spreken van een aangeboren moraal, en betoogde de mogelijkheid van een staat van atheïsten. Toch bleef men in de 18e eeuw nog over 't geheel vasthouden aan een godsdienstigen grondslag voor het zedelijk leven, al gaf men de mogelijks heid toe van een zedelijk bestaan, wanneer godsdienstige overtuiging ontbrak. Ja zelfs bestreed men het materialisme met de waarschuwing, dat zulk een godsdienstlooze meta« physica heilloos zou blijken voor de orde in den staat en de maatschappij. Men gevoelde bij alle optimisme toch

Sluiten