Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en in de vroegere denkers uitdrukking gevonden heeft, behoeft nog niet blijvend te zijn. De zedelijkheid betreft de relaties tusschen de menschen, en slechts als afzonderlijke relatie van mensch of menschdom en God is er in strikten zin godsdienstige zedelijkheid. En blijvende samenhang tusschen godsdienst en zedelijkheid is alleen te verwachten, als de ontleding van beide leidt tot een gemeenschappelijk gebied, of aantoont, dat zij voor hun handhaving en ont= plooiing op elkander aangewezen zijn, elkander wederzijdsch tot kracht zijn.

Bij zulk een ontleding der zedelijkheid doen zich eenige eigenaardige moeilijkheden voor. Allereerst moet men waken voor het gebruik van sommige woorden in meer dan éèn beteekenis. Vele termen uit zedeleer en zedekunde zijn dubbelzinnig of veelzinnig. Wel wijzen ze een reëel gebied van menschelijk geestesleven aan, maar dit wordt soms niet meer dan aangeduid door de gebruikte woorden. Verder komt het nog al eens voor, dat de eigenlijke zedelijke termen als plicht, verantwoordelijkheid, goedheid en slechtheid vervangen worden door inzicht, belang, nut, geluk, en andere dergelijke. Maar men gaat dan toch eigenlijk over op een ander gebied. Het moge waar zijn, dat de inhoud van een deugd, die het zedelijk oordeel als goed aanwijst, tegelijk nuttig is, zooals b.v. welwillendheid, toch is het gebied waar wij een inhoud zedelijk beschouwen, niet het* zelfde als dat, waar wij onderzoek doen naar het nut, ook van denzelfden inhoud. Er bestaat grond genoeg om voor* loopig te onderstellen een zelfstandig zedelijk gebied. Even* wel, een nieuwe moeilijkheid doet zich voor, zoodra de omvang van dit gebied zal worden bepaald.

Ook bij de nadere beschrijving lijkt het meeningsverschil eerder te voeren tot een aantal niet overeenstemmende reisberichten dan tot een coöperatie van geografen.

Het kan dan ook niet de taak zijn van deze oogenblikken, meer te doen dan eenige aanwijzing te geven van de ver* bindingen, die tusschen godsdienst en zedelijkheid bestaan en noodzakelijk schijnen. Wij hebben dan meer te denken aan het streven van zedelijken aard dan aan het zedelijk oordeel, meer aan den zedelijken wil dan aan de zedelijke norm. Een daad b.v. van trouw aan de waarheid, te midden

Sluiten