Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van levensdreiging volvoerd, wordt goed genoemd en de daad van degenen die tot ontrouw willen brengen, slecht. In een godsdienstig mensch gaan zulke oordeelen niet buiten den godsdienst om, maar het oordeel zelf bevat als zoodanig geen godsdienstig element. Anders wordt het voor den persoon, die de daad uitricht. In hem ontstaat er een streven, om belemmeringen van binnen en van buiten te overwinnen. Er is verder ook bewustzijn van verplichting tot zulke trouw. Hoog en onvervangbaar is de waarde, die aan een dergelijke daad wordt gehecht. Deze waarde, in de schatting van de persoon aan de daad toekomend, richt het streven. Haar uitvoering brengt een goed teweeg, dat met recht een zedelijk goed mag heeten. Zulk een goed bij verkorting een waarde te noemen, verdient geen navol* ging. Dat uit zulk een waardebepaling de hoedanigheid van het zedelijk oordeel zou kunnen worden afgeleid, is niet onwaarschijnlijk en dan zou er nog inniger samenhang kunnen worden aangetoond tusschen zedelijkheid en gods* dienst. Maar daar gaan wij thans niet op in. In het streven zelf, als het zedelijk van aard is, liggen door de daarin vervatte waardebepaling zekere onderstellingen opgesloten, die in den samenhang van beide van gewicht zijn. Voor* eerst valt dan te spreken over de mogelijkheid van ver* wezenlijking. Belemmeringen van binnen en buiten worden erkend, maar iemand die streeft naar trouw, heeft over zich zelf, algemeener over den mensch een gedachte, waarin des menschen wezen van zedelijken aanleg wordt geacht. Ook al zou hij de daad niet doen, hij erkent dat hij haar be* hoorde te doen. Deze mogelijkheid van verwezenlijking zegt ook iets over de wereld, minstens althans over dat deel van de wereld, dat wij zelf zijn. Wij worden gedrongen tot verwezenlijking in de wereld van een zedelijk goed, dat wij kennen, hoogschatten, en erkennen. Dit in zijn samen* hang heet autonomie. Autonomie zegt niet, dat de mensch de zedelijke relaties schept, maar zij zegt, dat de mensch zelf, en geen ander, God of mensch, deze zedelijke kennis moet bezitten, alvorens men zijn daad, waarin kennis en wil te zamen gaan, een zedelijke daad kan noemen. Over den oorsprong dezer zedelijke kennis en zedelijke goederen zegt het beginsel der autonomie niets bepaalds. Maar als

Sluiten