Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene schriftelijke wilsbeschikking van haar zou vinden. Deze is dan ook daarna gevonden. Waarschijnlijk kort vóór hare laatste krankheid geschreven, getuigde die hoe zij toen reeds blijkbaar, meer dan ik wist, aan de mogelijkheid van een spoedig einde had gedacht. Die toch begon „doordrongen van de wisselvalligheid des levens." Niet aan mij gerigt, maar aan degenen die haar overleven mogten, getuigde die dat zij, naar aanleiding van gesprekken, die wij gehad hadden, was bedacht geweest op de mogelijkheid dat wij gelijktijdig stierven, of zoo kort na elkander dat er geene bepaling meer te maken was. Het was om te zorgen, dat eene moeder en kind, haar dierbaar, niet zonder hulp voor de toekomst bleven bij ons beider overlijden.

En nog dit, want ik mag en wil niet te lang zijn, al zijn die herinneringen mij dierbaar, en u, zoo ik hoop, aangenaam, ik meen zelf haar te hebben hooren zeggen, maar anders heeft een ander het gehoord: „wat nabij is, is niet goed, maar ik hoor in de verte een liefelijk muzijk." Zij heeft dan ook aan haar nichtje gevraagd, of die dat ook niet hoorde. En op den avond vóór haar dood zeide mijne dienstbode mij met opgetogenheid, dat mijne vrouw gezegd had, engelen te zien, en mijn nichtje had haar dit ook hooren zeggen. Deze, daarnaar door mij gevraagd, zeide, dat mijne vrouw, als bij zich zelve sprekende, gezegd had: „dat is wel pleizierig, ik zie engelen." Wel nu, oordeelt zeiven , was dat een doodsbed, een sterven, met zielsstrijd of zonder zielsstrijd? Ik weet niet, waarom ik mij een ander sterf-

Sluiten