Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I. De Kerk.

„De Kerk des Heereniser van het begin der wereld af geweest en zal er zijn tot aan het einde."

Voor de komst van Christus op aarde behoorden tot die Kerk allen:

die als Abraham „met verheuging hebben uitgezien naar Zijnen dag", Joh. 8 : 56; -—

die met Jakob hebben gezegd: „Op Uwe zaligheid wacht ik, Heere!" Gen. 49: 18; —

die met Job juichten: „Ik weet, mijn Verlosser leeft," Job 19 : 25; —

die met David hebben geloofd: „Hij zal Israël verlossen van al zijne ongerechtigheden," Ps. 130 : 8: ■—

die zich verblijd hebben in Jesaja's profetie: „Wij hebben Hem verwacht en Hij zal ons zalig maken," Jes. 25 : 9.

In de „volheid des t ij d s" kwam de Heere Jezus Christus op aarde.

Op het Pinksterfeest daalde de Heilige Geest neder in de Gemeente, d.i. „het lichaam van Christus". Dan blijft de Kerk niet meer alleen tot Israël bepaald, maar zij wordt wereldkerk.

Elk oprecht Christ-geloovige belijdt: „Ik geloof een heilige algemeene Christelijke K e r k".

Christus is het Hoofd zijner Kerk (Col. 1 : 18); Hij is haar Koning (Ps. 2 :6), Die haar door zijn Woord en Geest regeert.

De leer van de Roomsche Kerk, dat de Paus, als plaats-

Sluiten