Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. Verwoesting van Jerusalem.

In den Apostolischen tijd wordt het oordeel, door den Heere Jezus over Jerusalem en het volk der Joden uitgesproken, uitgevoerd.

In 't jaar 66, toen Palestina groote welvaart genoot en Gessius Floris landvoogd was, brak de groote opstand der Joden tegen de Romeinen uit.

Koning A g r i p p a trachtte den opstand nog te stuiten. Hij moest met zijn troepen wijken en zijn paleis ging in vlammen op.

Niet beter ging het C e s t i ü s, den landvoogd van Syrië. Voor Jerusalem werd hij teruggedreven en overal werden de Romeinen door de woedende Joden vermoord.

„De gruwel der verwoesting" (Matth. 24 : 15) was reeds gezien; „Jerusalem was van heirlegers omsingeld" geweest. Luk. 21 : 20. Op deze teekenen, door den Heere aangewezen, hebben de Christenen gelet. Zij verlieten Judea, vonden een schuilplaats te Pella in 't Overjordaansche en niet één Christen is in dien oorlog omgekomen. Luk. 21 : 18.

In 68 zond Keizer Nero zijn veldheer Vespasianus met een groot leger. Na een bloedige worsteling veroverde deze het geheele land; alleen Jerusalem hield den strijd vol. Gedurende 1| jaar werd de krijg slap gevoerd, omdat Vespasianus, tot Keizer uitgeroepen, naar Italië was gegaan, om zijn tegenstanders te bestrijden. Toen hij alleenheerscher was geworden, werden nieuwe legioenen naar Palestina gezonden en ontving zijn zoon T i t u s bevel, Jerusalem in te sluiten.

Onbeschrijfelijk is 't, wat de Joden toen geleden hebben door 't zwaard van den vijand, den honger, de pestilentie en de onderlinge moordpartijen. De laatste hoogepriester A n a n u s werd bij den tempel gedood. Alle Joden, die den Romeinen in handen vielen, werden in 't gezicht der stad in alle denkbare houdingen gekruisigd. Ten laatste was er geen hout

Sluiten