Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus wordt dus telkens geofferd. Hoe staat er in Hebr. 10 : 14? De beker — nu miskelk — werd aan de „leeken" onthouden en 't brood bakte men in ouwels. Zoo'n gezegende ouwel of „hostie" d. i. offerande, was dan „ons Heer" en daarvoor knielde men. Na veel strijd werd deze ketterij door de Kerk voor goed aangenomen in 1250.

Een groot bederf kwam in de Kerk, toen men geheel tegen Gods Woord van „heiligen" ging spreken. Apostelen, martelaren, kerkvaders, enz. werden „heilig verklaard."

Eerst vereerde men die „heiligen"; daarna ging men ze aanroepen en aanbidden. Bovenal verviel de Kerk tot Mar iadienst.

Met de heiligen kwamen ook de b e e 1 d e n en schilderijen in de kerken en kreeg men de vereering der r e 1 i q u i e ë n en de bedevaarten.

Tegen al deze dwalingen werd eerst wel hevig gestreden, maar de leugen behield de overhand.

Een Christen heeft in de wereld een taak te volbrengen. Hij moet „het zout der aarde" en „het licht der wereld" zijn.

Een Christus moet zich onthouden van alle kwaad, zelfs van den schijn des kwaads, maar hij behoeft zich niet te onthouden van spijs of drank en van de genietingen des levens, die God hem schenkt.

Een Christen moet zich oefenen, zooals Paulus zegt: „Hierin oefen ik mij zeiven, om altijd een onergelijk geweten te hebben bij God en de menschen," Hand. 24 : 16, maar niet in het verduren van allerlei ontberingen.

In plaats van deze dingen te bedenken, gingen vrome Christenen, toen de Kerk aan de wereld gelijkvormig werd, zich onthouden van dingen, die op zich zelf niet zondig waren, om hun Christelijken wandel te toonen. Dat werd dweperij. Men trok zich terug in de eenzaamheid, om van het gewoel

Sluiten