Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IX. Strijd om de macht.

Wij weten, dat in de Kerk de hiërarchie opkwam en de Paus zich de heerschappij over de geheele Kerk aanmatigde.

Naast de pauselijke of zooals men zei, geestelijke macht stond de macht van den Staat of de wereldlijke macht.

De vorsten streefden naar een Staatskerk d.i. naar een kerk, waarin zij bevelen konden. Dat was verkeerd. Constantijn de Groote en andere keizers beschouwden zich als het hoofd der Kerk. Karei de Groote handelde niet anders. Hij regelde in zijn uitgebreid rijk alle kerkelijke zaken naar zijn welgevallen.

Toch legde hij omstreeks 800, door aan de Kerk uitgestrekte landschappen af te staan, den grond voor de wereldlijke macht van den paus.

Na verloop van tijd streefden de pausen naar een Ker kstaat d.i. naar een kerk, die over den Staat heerschappij voerde. Ook dat was zeer verkeerd.

De strijd tusschen de geestelijke en wereldlijke macht is jaren lang gestreden en was vooral hevig, toen Gregorius VII paus was (1073—1085).

Hij bevrijdde de Kerk van de wereldlijke macht. Voortaan moesten de pausen door de kardinalen gekozen worden; de keizer bleef er dus buiten; — kerkelijke ambten mochten niet meer voor geld gekocht worden; — niemand mocht een kerkelijke waardigheid van een wereldlijk persoon aannemen; — het huwelijk werd aan alle geestelijken verboden: de priesters, die gehuwd waren, moesten hun vrouwen wegzenden.

Toen keizer Hendrik IV zich in 1077 tegen de bevelen van den paus verzette, werd hij in den ban gedaan en als keizer afgezet. Hij moest zich toen te Canossa voor den paus diep vernederen. Hendrik kwam wel weer in t bezit van zijn troon, nam zelfs Rome in en verjoeg den paus, die in ballingschap stierf, maar de overwinning van de wereldlijke macht was slechts schijnbaar: de macht van kerk en paus nam steeds meer toe. Eerst veel later zou dit veranderen.

Sluiten