Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zendelingen trokken naar de ruwe Denen en Noormannen

Wij weten van Methodius en Cyrillus, de zendelingen in Moravië en Bohemen.

In den tijd van inwendig bederf der Kerk stond de zendingsarbeid eeuwen lang stil. Toen kwam de Reformatie. Dat was de zending onder hen, die van het Evangelie waren afgeweken; dat was „inwendige zending" en die droeg rijke vrucht. En toen kwam ook weer de zending onder de heidenen. De Kerk van Genève tijdens Calvijn zond in 1566 veertien zendelingen naar Zuid-Amerika. De koning van Zweden zond een zendeling naar Lapland.

Ook de Roomsche Kerk ging aan de zending doen. Het waren de Jezuieten, de wreede vervolgers van de Kerk des Heeren, die door de zending Rome's kerk honderdvoudig wilden vergoeden, wat zij door de Protestanten verloren had. Naar de nieuw ontdekte landen in Azië en Amerika, bezittingen van Roomsche landen, trokken zij heen. In 1565 waren in Oost-Indië duizenden gedoopt; nog meer in Brazilië en Paraguay; — in 1581 ook in China en Japan.

't Was hen niet te doen in de eerste plaats om waarachtige bekeering. Als de heidenen maar in de schoot der moederkerk gebracht werden, was elk middel goed; zelfs de inquisitie hebben zij gebruikt, om de heidenen te dwingen. Toch zijn er ook onder de Jezuieten ware zendelingen geweest, die als martelaren voor het Christendom hun leven hebben gelaten.

Onze Republiek heeft in dien tijd meer aan de zending gedaan, dan eenig land. Wij weten, dat wij in Oost-Indië onze koloniën kregen: bezittingen van de Compagnie. De Kerk ijverde voor de uitzending der zendelingen en de Compagnie droeg de kosten. En dat was heel wat. In 1647 waren in Indië werkzaam 28 predikanten met hun helpers; — in 1693 gaf de Compagnie alleen voor de zending op Amboina f 29000 uit; — in 1765 arbeidden op Ternate twee predikanten

Sluiten