Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

looft, maar dat het Jan, Piet of Klaas gelooft, die hem vertellen, dat er iets is, dat men God noemt." Daarom wil Rousseau, dat men het kind het bijbrengen van godsdienst besparen en daarmede wachten zal tot het achttiende jaar.

Rousseau heeft in zooverre gelijk, dat het kind zich menschvormige voorstellingen van God maken zal, die het later moet wijzigen of vervangen door andere. Doch is dit zulk een groot bezwaar, dat men beter doet het kind godsdienstloos op te voeden ? Laten wij niet vergeten, dat menschvormige voorstellingen getuigen van naïveteit, maar ook van warmte en echt-innerlijke ervaring. Bij het oorspronkelijk Jahweïsme en bij den godsdienst der profeten met hun levendig verkeer met God vinden we de menschvormige voorstellingen van God. Toen echter de Joodsche godsdienst wettelijk werd, verdwenen ze tegelijk met het levend verkeer met en de onmiddellijke betrekking tot God. Bij de Psalmisten, die de bezieling der profeten kennen, keeren ze weer terug. En Jezus' Evangelie met zijn „God den Vader" schuwt de menschvormige voorstelling al evenmin.

Maar bovendien, wanneer het kind zich ontwikkelt, dan mag men verwachten, dat het zijn godsdienstige voorstellingen voortdurend herziet en in overeenstemming brengt met zijn andere geestelijke overtuigingen. Het is de normale levensgang, dat men, als men man geworden is, aflegt hetgeen des kinds is. Het kinderspeelgoed, de kinderkleeren en de kinderspelen worden weggeborgen met de kindervreugden, kindersmarten en kinderillusies, met de kinderphantasie en het kindergeloof. Waarlijk, het zijn niet alleen de menschvormige voorstellingen omtrent God, welke te niet gedaan moeten worden. De storm- en drangperiode, die op den jongen leeftijd volgt, eischt strijd op menig punt. Maar zonder erfenis behoeft men nimmer een stuk van zijn leven te verliezen. Zóó kan ook wat er eeuwigs en waars is in het geloof, in welken vorm dan ook

Sluiten