Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wil ik eerst de vraag bespreken of er ook een ongeloof is, dat door God voorbeschikt is, een noodzakelijk ongeloof dus. Die vraag wordt somtijds gesteld, bijv. wanneer onder de kinderen van hetzelfde gezin bij het ééne zich een natuurlijke aanleg tot geloof vertoont en bij het andere onverschilligheid voor hoogere dingen ; wanneer de ééne broeder tot een geloovig mensch opgroeit en de ander, onder bijna gelijke omstandigheden, een ongeloovige wordt; wanneer de één zonder moeite zich het geloof verwerft en de ander tevergeefs worstelt om het zich te verwerven. Natuurlijk laat dit verschijnsel zich nimmer algeheel verklaren. Wij staan bij den mensch nu eenmaal op 't gebied der onbegrensde mogelijkheden en der wonderlijkste raadselen. Het verschil in aard, aanleg, karakter temperament bij kinderen, uit dezelfde ouders voortgesproten en onder gelijke leiding opgevoed, heeft bij den tegenwoordigen stand der zielkundige wetenschappen zijn verklaring nog niet gevonden.

Maar de vraag of sommigen voorbeschikt zijn tot ongeloof, zou ik ontkennend willen beantwoorden. De leer der voorbeschikking of praedestinatie, welke vooral bij Paulus, den kerkvader Augustinus en de Hervormers gevonden wordt, een leer, die zegt, dat alles, het heil niet alleen, maar ook het willen en werken der menschen om het heil te verwerven, dus ook het geloof, een genadegave Gods is, verklaart het ongeloof van sommigen hieruit, dat God in Zijn absolute vrijheid een deel der menschen bestemt tot Zijn heil, aan anderen echter Zijne genade onthoudt. De grond voor het ongeloof schuilt dus bij God zelf ; sommigen heeft Hij uitverkoren tot Zijn heil, anderen heeft Hij verworpen. Dezen kunnen dus niet gelooven.

Deze leer, waarvan de godsdienstige beteekenis is, dat alléén aan God en niet aan de medewerking van den mensch de zaligheid verschuldigd is en waarin dus de eer van God verkondigd wordt, die in de verworpenen zijn straffende en in de uitverkorenen

Sluiten