Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het geloof. Dit blijkt uit de religieuse poëzie der verschillende volkeren en uit de rol, die de natuurbeschouwing gespeeld heeft bij de vorming van godsdienstige voorstellingen en begrippen. Deze godsdienstige natuurbeschouwing handhaaft zich tegenover welke andere beschouwing ook. In de kringen der natuuronderzoekers ontbreekt het ook nu niet aan stemmen, welke in de natuurverschijnselen het werken en heerschen van een goddelijk wezen verkondigen, en Kepler nazeggen : ,,In de Schepping grijp ik God als met beide handen." Natuurlijk. Het geloof, dat in het één of andere ervaringsfeit Gods werken bespeurt, berust op den eigenaardigen indruk, dien het betreffende feit in het gemoed van den godsdienstig-ontvankelijken mensch wekt. Daar.nu de verhevenheid en schoonheid, de v/etmatigheid en doelmatigheid van de natuur zoowel in 't groote als in 't kleine op geloovige gemoederen dien indruk maakt, behoudt de godsdienstige natuurbeschouwing, die in de verschijnselen der natuur een openbaring Gods ziet, haar recht om met den Psalmdichter te getuigen : ,,o Heer ! hoe heerlijk is Uw naam op de gansche aarde, Gij, die Uwe majesteit gesteld hebt boven de hemelen."*) De wetenschappelijke natuurbeschouwing zal nooit de godsdienstige buiten kunnen sluiten. Maar altijd blijft waar, wat Rückert eens dichtte :

De groote astronoom sprak: heel den hemel door,

Heb ik naar God gezocht, maar vond van hem geen spoor.

En hij sprak waarheid\ want in maan- en zonnevlekken

En sterrennevels is de godheid niet te ontdekken.

Waar is de telescoop, die den Onzichtbre ziet?

Bij tal en maat en wicht berekent men Hem niet.

Wie God daarginds wil zien, kome in zich zelf hem tegen

Slechts als Hij in u is, vindt gij Hem allerwegen. 2)

1) Vgl. Karl Sapper, Neuprotestantismus, blz. 62.

2) Aangehaald bij Hugenholtz, Levenslicht, blz. 5.

Sluiten