Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn geworden voor het kapitaal van vrede en hoop en van al die krachten, die den mensch in zedelijk en godsdienstig opzicht kunnen vormen, dat ons in Christus geschonken werd, die begrijpt ook wat het zeggen wil „God in de geschiedenis".

Er is nog een derde te noemen, dat steeds, ook in den vóór-Christelijken tijd als een getuigenis en openbaring Gods beschouwd werd : het geweten. Naar de bekende uitspraak van den wijsgeer Kant zijn er immers twee dingen, die ons van 't bestaan van God overtuigen : de sterrenhemel boven ons en de zedenwet in ons. En ongetwijfeld zal die stem in ons binnenste, welke zóó dikwijls ingaat tegen lust en neiging en zóó onvoorwaardelijk gehoorzaamheid vraagt; die stem, die ons vrijspreekt of beschuldigt, zooals Melanchton het geweten omschrijft ; die stem, waarvan Goethe eens zeide :

Heel zachtkens spreekt een God in onze borst,

Heel zachtkens maar zeer duidelijk toont zij aan,

Wat na te jagen en wat f ontvluchten is;

ons wijzen op een hoogere Macht, die haar wil ons openbaart. Op de majesteit van die zedenwet, waarvan door het schuldgevoel, het berouw, de wanhoop, de vertwijfeling zulk een onwraakbaar getuigenis afgelegd wordt, heeft Kant terecht de volle aandacht gevestigd. Maar bij die zedenwet moeten wij niet blijven staan. Zal ik mij aan die zedenwet onderwerpen, zonder protest, zonder tegenzin maar met volkomen bereidwilligheid, dan moet die zedenwet uit hooger dan menschelijk of maatschappelijk gezag stammen. Een gebod onderstelt een gebieder. En voor den vrome is die gebieder God, die gehoorzaamheid aan Zijn wet en gebod vragen mag. Is het geweten de neerslag van den wil der gemeenschap in den enkelen mensch ; is het ontstaan door de opvoeding, die de menschheid door alle geslachten heen ontvangen heeft en waarbij den mensch door wetten, door zeden en gewoonten, door het recht en door den godsdienst steeds de wil van de gemeenschap werd ingeprent,

Sluiten