Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoodat deze nu in zijn vleesch en bloed zit ; is dit het geweten, dan valt weg het onvoorwaardelijke, dat in het gebod van het geweten ligt. Want Pfleiderer heeft terecht gezegd : „Evenmin als ooit alléén uit nullen een getal ontstaat, evenmin kan ooit uit de samenstelling van „willen" een zedelijk hoogere wil ontstaan, die niet alléén de macht, maar ook het recht zou hebben om zich als autoriteit voor allen te laten gelden."1) Alleen een God mag wetten uitvaardigen, die als zedelijke geboden onze onderwerping vragen. Maar hoe dan ook het geweten verklaard moge worden — dat de vrome het als een stem van God beschouwt, berust op den diepen en geweldigen indruk, dien het op den mensch maakt. Ik noemde reeds terloops, maar wil ten slotte hierop nog eens opzettelijk wijzen : de openbaring in Jezus Christus. Het zal door het bovenstaande duidelijk zijn, dat ik ook een buiten-Christelijke openbaring aanneem. Wij mogen niet uitgaan van de beschouwing, bijv. door Augustinus gehuldigd, dat God van de schepping van den mensch af slechts enkelen, later het Joodsche volk en dan de Christelijke kerk, alleen met Zijn openbaring begiftigd heeft, terwijl het overig gedeelte der menschheid aan dwaling en duisternis was prijsgegeven. Wie God erkent als de alles-omvangende Liefdemacht kan zulk een beschouwing nimmer deelen. In de Joodsche en heidensche godsdiensten vinden wij uitingen van een levende vroomheid, welke verwant is met de Christelijke en wijst op het bestaan van echte Godskennis. Maar voor het Christelijk bewustzijn is er onder de godsdienstige persoonlijkheden, waarin God ons als levende kracht verschijnt, geene van zooveel invloed en van zooveel aantrekkingskracht als de persoon van Jezus Christus. In Hem werd, naar de teekenende uitdrukking van 't Johannes-Evangelie „het woord vleesch", d.w.z. God werd in Christus mensch.

l) Aangehaald bij prof. Bavinck, De Hedendaagsche Moraal.

Sluiten