Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk niet. De mensch is een zelfbewust wezen, dat zich rekenschap afvraagt van zijn doen en laten, tenzij hij afgedaald is tot die gedachteloosheid, welke niets meer vraagt. Maar welk antwoord ontvangt de ongeloovige op al die vragen, die men de levensvragen noemen kan ? In de praktijk leeft menigeen, omdat hij nu eenmaal leeft; werkt menigeen, omdat wie niet werkt ook niet eten zal; strijdt menigeen, omdat hij nu eenmaal strijden moet. Velen worden meer geleefd dan dat zij leven, omdat zij in dat wonderlijke leven met zijn onbegrijpelijke lotgevallen geen doel, geen beteekenis kunnen vinden. Uit het duistere-onbekende komt de mensch op om een oogenblik boven den tijdstroom uit te rijzen en daarna voorgoed te verdwijnen. Bij deze beschouwing moet ontstaan die slapte, somtijds die levensmoeheid, welke zich van velen in onze dagen meester maken. In tegenstelling met figuren als die van Schleiermacher, die zich zelf een eeuwige jeugd zwoer, zijn zij nu jonge oudemannetjes, die reeds verdronken zijn voordat zij het water gezien hebben.

De geloovige echter krijgt een antwoord op de levensvragen. Uit God, in God en tot God zijn alle dingen. Het leven neemt hij aan uit Gods hand en hij gevoelt zich een rentmeester, die zijn heer rekenschap zal moeten afleggen van alles, wat hem is toevertrouwd : tijd, krachten, talenten en gelegenheden. Hij weet dus waarvoor hij leeft, streeft en strijdt. Getrouw aan Gods geboden, zal hij zich wijden aan zijn arbeid om waardig te zijn de plaats, die hij inneemt op deze aarde, bij alles bewust Gods kind te zijn, tot hooger wereld en hooger leven geroepen, de oogen open voor het eeuwige doel des levens, voor het leven der ziel, voor de heilswaarden, die troosten bij leven en bij sterven.

,,'t Leven is voortdurend verliezen", zoo las ik eens. Jammerlijk lot, wanneer naast deze waarheid, welke ieder mensch ervaart, niet die andere waarheid

Sluiten