Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook ervaren wordt : ,,'t Leven is voortdurend winnen." De geloovige nu weet, dat hij in den dienst van God voortdurend wint en dat, bij 't afbreken van den aardschen tabernakel, de innerlijke mensch dag aan dag verder kan worden opgebouwd. Vandaar dat de geloovige blijden moed heeft bij het gaan, te meer, daar immers de dood, die bij duizenden reeds vooruit zijn donkere schaduw over het leven werpt, hem geen verschrikking is. Het onsterfelijkheidsgeloof vormt, zegt prof. Tiele, een integreerend bestanddeel van den godsdienst. De geloovige, die God kent en den Eeuwige gegrepen heeft, weet, dat de dood overwonnen is. Niets, ook de dood niet, kan hem scheiden van de liefde Gods.

Een heerlijk licht op den mensch als kind Gods, op de wereld als schepping Gods, op het leven als gave Gods, op het geweten als stem van God — ziedaar de waarde van het geloof. De ongeloovige weet dikwijls niet, wat hij ontbeert; als hij 't wist, zou hij zich met innig zielsbegeeren tot God wenden en bidden :

Geef mij, o God, een open harte,

dat ik Uw stem versta !

Slotopmerking

Nog één opmerking tot slot. Er zijn er, die het geloof een uiting van zwakheid vinden. Zij vinden het mannelijker, sterker om op eigen beenen te leeren staan en geen steun te zoeken, alsof een mensch nog een derde been noodig zou hebben om stevig te kunnen wandelen. Op dezen grond is de godsdienst wel eens beschouwd als iets, dat goed is voor zwakke zielen, hofjesjuffrouwen enz. Ik behoef echter slechts te wijzen op de groote, krachtige figuren, die de geschiedenis aan den allesmeevoerenden tijd ontworsteld heeft, profeten, godsdienst-

Sluiten