Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan voelen we een ongekenden aandrang om lief te hebben en te vergeven. Wij zoeken niet meer ons zelf, wij probeeren geen gemeenschap meer te vinden met anderen in onzen eigen naam, maar in naam van den hoogsten God. In ons is een vonk gaan gloeien, die ons brengt dicht bij den geest van God. Het zijn geen „uit* gedoofde zielen" meer, die elkander opzoeken; brandende harten trekken elkaar aan, verwar* men elkaar, juichen van vreugde over hun enge gemeenschap.

Dan komt er een einde aan de eenzaamheid, de verweezing van de ziel, want in God heeft de ziel den Vader weergevonden en zichzelf; ze heeft haar ware gedaante teruggekregen. Christus, die door allen verworpen werd, is toch nooit eenzaam geweest: „Nochtans ben Ik niet alleen, de Vader is met Mij". Laten we eens met elkaar vergelijken het evangelie van de broeder* schap, zooals ons dat verkondigd wordt door den apostel der liefde, met onzen verstandelijk uitgedachten theoretischen grondslag van ons maatschappelijk leven. Wat klinkt dat natuur* lijk: „Geliefden, laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God en een iegelijk die liefheeft is uit God geboren en kent God. Die niet liefheeft, die heeft God ook niet gekend, want God is liefde. Hierdoor is ons de liefde Gods geopenbaard, dat God Zijn eeniggeboren

Sluiten