Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onwilligen en hulpbehoevenden, ontbreekt het in onze kerkelijke inrigting geheel en al aan de mogelijkheid. Bij den geheel veranderden maatsciiappelijken toestand der armen is, wat vroeger bestond, niet meer voldoende; hoe veel goeds School en Kerk hun moge bewijzen, er moet nog eene andere hulp komen, zal het ooit goed met hen kunnen worden.

De Staat erkent het. Hij zag reeds lang de bittere armoede, en op deze lette hij nog meer dan op de veelvuldige zedeloosheid. De armoede meende hij te kunnen lenigen, en hij hoopte daarmede ook de zedeloosheid te zullen wegnemen of verminderen; want de armoede, veronderstelde men, was de eigenlijke, of althans voorname, oorzaak der zedeloosheid. De Staat begon dus een derde beginsel in het leven te roepen, en voegde bij volksonderwijs en godsdienst Armenverzorging van Staatswege. Tegen het invoeren van eene belasting voor de armen of een armentax, welke in Engeland zulke vreeselijke uitwerkingen had ter vermeerdering der armoede, zag men op; men voerde dus het stelsel in van tweederlei bedeeling, kerkelijke en burgerlijke , en van het ondersteunen der hulpbehoevende diakonie- of kerkefondscn uit de burgerlijke of plaatselijke inkomsten. Door dit beginsel aan te nemen erkende de Staat, dat hij verpligt is voor al zijne burgers te zorgen, en toonde hij dus, met de beginselen des Christendoms doordrongen , veel hooger te staan , dan zelfs de denkbeeldige volkomene staat van Plato, waarin aan geene armenverzorging gedacht wordt. Maar of dit beginsel op die wijze in het leven moest treden , is eene andere vraag. Spoedig bleek het, dat men uiterlijk verschijnsel en innerlijke oorzaak der ellende onzer armen met elkander verwarde, en door bedee-

Sluiten